zondag 30 december 2007

De Halloweenbaby / Nico De Braeckeleer

Thalia’s broertje Donny is op 31 oktober geboren. Dit jaar wordt hij twee. Thalia zou liever van haar broertje af zijn, en vindt ook Halloween maar niets. Tot haar broertje in de nacht van Halloween zomaar verdwijnt, zonder dat ook maar iemand zich hem herinnert. Alleen Thalia weet nog dat ze weldegelijk een broertje had. Ze moet en zal hem terugvinden….
De Braeckeleer verraste me aangenaam ; “De Halloweenbaby” is degelijk uitgewerkt, de personages zijn alles behalve truttig, en ze weten wat ze willen. Eigenlijk is hier een verhaal opgebouwd rond een oud kinderliedje (volgens dit boek althans) over “De Bietebauw”. (= een geest, spook, nachtmerrie, boeman, volgens het bibboek dat Thalia zal vinden) Die zou kinderen ontvoeren. Later blijkt inderdaad dat Donny ontvoerd is door de Bietebauw. Hij woont in de hel, en hij kan overal zitten. Thalia ontdekt dankzij een boekje in de bibliotheek (geschreven door W. Tibebu e.a.) Zij hoort pas later van de Bietebauw zelf dat HIJ dit boekje schreef, maar een aandachtige lezer heeft dit snel door, dat de letters gewoon door elkaar zijn gehusseld. Het weze de auteur vergeven, evenals het gebruik alsmaar door van “het raakte mij aan”, of “Ik legde mij op mijn rug” (ipv “Ik ging op mijn rug liggen”.) Nu lijkt het of dit boek snel snel is geschreven, door dit soort van taalgebruik. Verder valt ook op dat dit een typisch Vlaams boek is. De auteur gebruikt voor “huilen” namelijk het woordje “wenen”. Of dit boek hierdoor in Nederland bij de jeugd zal aanslaan, is twijfelachtig. Soms is ook iets “heel plezant!” ipv heel leuk. De hele tijd door wordt hier gebruikgemaakt van “mij” en nooit van “me”. Dit stoort af en toe. “Nou” en “Nu” worden dan weer wel door elkaar gebruikt. Maar dit doet niets af aan de kwaliteit van dit verhaal. Het wordt nooit belachelijk, en is eigenlijk een oerdegelijk griezelverhaal. Donkere zolders zijn het decor voor geesten en ander gespuis, wanneer Thalia daar gaat slapen om zo haar broertje terug te vinden. Op de zolder duiken spoken namelijk makkelijker op. En dit gebeurt ook. Thalia heeft een zaklamp mee, die het (een beetje: “uiteraard moet begeven”, nu ziet ze niets meer, en blijft het aardedonker op de zolder.) Het moment voor “de bietebauw” een van zijn spoken om op te duiken. Dit wordt echter nooit lachwekkend. Dit alles maakt dat dit verhaal ongemeen spannend blijft. Je blijft je als lezer afvragen of Thalia gek is, of ze weldegelijk een broertje heeft gehad. Het antwoord op deze vraag is ja. Alleen het eind gaat de mist in. Thalia’s broertje is weldegelijk ontvoerd door de Bietebauw. De man duikt ook echt in Thalia’s leven op. Hij staat haar op te wachten bij de bib, en vraagt haar of ze alle informatie gevonden heeft die ze zocht. Hij geeft haar de tip dat vooral ook de laatste bladzijde van het boek dat ze ontleende belangrijk is. De man is oud, en een ietwat griezelig. (Het is een klein beetje duidelijk dat deze man veel meer weet, en bij het eind van het boek hoeft het voor mij niet zo lang te duren voor hij zijn ware gelaat laat zien. Hij en niemand anders IS de bietebauw. De auteur gebruikt hier de transformatie die ook “De Hulk” destijds gebruikte: de goede man met de zachte stem (deze man in het boek heeft wel vreemde ogen: ze veranderen voortdurend van kleur), veranderd in een afzichtelijk monster. Ook over het echte eind van dit boek wil ik nog iets kwijt. Het lijkt wel of de auteur zich bedacht. Niet Donny, moest de Bietebauw hebben (op Halloween geboren, slaapt met oudere zus of broer op de kamer, oudere zus of broer wenst dat broertje er niet was), maar Thalia! Zij is op vrijdag de dertiende geboren! De Bietebauw ontvoerde Donny om haar te lokken! Nu kan hij, dankzij HAAR, haar broertje kan hem niets schelen, verder leven. En ze wordt meegezogen in de diepte… Dat is flauw. Vooral ook omdat Thalia haar broertje weldegelijk zal terugzien, zij het in een trieste situatie. Ze ziet dat haar broertje bang is, en vraagt de (oude vriendelijke man) Bietebauw wat hij met hem van plan is. Niemand herinnert zich, wanneer ze vraagt haar broertje vrij te laten, HAAR nog, en Donny is weer thuis. Nu lijkt hij het enige kind van haar ouders. Alles wat aan haar herinnert, is weg. Net zoals Thalia ontdekte bij de verdwijning van haar broertje. Foto’s waar zij samen opstonden, daar stond zij alleen op, het bedje van Donny is weg… Heel goed verhaal, jammer van de plot.
De Halloweenbaby / Nico De Braeckeleer.- Sint-Niklaas: Abimo, 2005.- 112p.- ISBN 90-5932-245-2

vrijdag 28 december 2007

Zoo der zinnen, zondag 15 mei 2005

Ik heb sinds 1 mei 2005 een abonnement op de Zoo onder het motto: "ach, de beestjes moeten ook eten." Maar verder is het ook wel een luxe om de Zoo te kunnen uitwandelen, en als ik terug binnen wil, gewoon mijn abonnement te tonen. Heerlijk.
Maar goed. Vandaag stond de Zoo in teken van "de letteren" - ahum. Een organisatie van Zuiderzinnen. Ik vond Zuiderzinnen al niet zo fijn, het was net niet vervelend, al dat volk toen, die eigenlijk niets kwamen doen dan "heb je mij gezien?".
Hier in de Zoo was dat een beetje anders. Veel mensen met minstens evenveel (jengelende) kindertjes, waarvan het mij een raadsel is wat die bij sommige "lezingen" kwamen doen.
Ben wel nog mensen tegengekomen die ik in geen tijden meer gezien had, en het was een erg fijn weerzien.
Om 13 uur droeg Els Dottermans het gedicht "Sebastiaan de spin" voor. Voordragen, niet meer dan dat.
Om 14.30 besloot ik dat ik Marc De Bel (de mens intrigeert mij, al weet ik echt niet waarom) wel wilde zien. Hij kwam uit Het Ei van Oom Trotter het stukje voorlezen, over het krokodillenei dat moet uitkomen. Dat stukje is al zovaak voorgedragen dat het saai was. Ach ja. Mensen naast mij (en dat is WEL jammer, want ik vind: "Leve de boeken! en Leve de combinatie met de beestjes!") Mensen met kindjes die oud genoeg waren om De Bel te kennen: "nu gaan we naar de zeeleeuwen kijken! Ja!" Was dat effe een teleurstelling dat die show net afgelopen was... Ze dropen dan maar af. En ze bleven dus niet voor Marc De Bel, hoewel dat WEL zou mogen. Ach, maar ik vond het dus niet zo veel soeps.
Soit.
Anne Provoost in "De Vertelgrot" (welke grot? Een open plekje onder een GvA tentje? Is dat een grot? Blijkbaar)
15 uur. Zonder inleiding of wat ook, begint ze voor te lezen uit een pasgeschreven stuk boek (hoop ik). Geen inleiding, daar staat Anne, en ze leest haar tekst af. De tekst is mooi, maar achteraf hoor ik een jongen zeggen: "oef, het is gedaan." Luc Huybrechts komt langs, en vraagt Anne waar ze was, ze was niet optijd. Dat was ze wel. En nog stipt ook. Vrijwel de enige die stipt optijd begon. Pff.
Maar de beestjes! Die zijn wel leuk. Een klein Yakje moet de fles, bijvoorbeeld. Dat is telkens leuk om zien, een "klein iets" dat moet bijgevoerd worden. Gelukkig waren die er nog, de dieren.

maandag 24 december 2007

Michiel en de boeken van heel vroeger...

... Was een verhaaltje uit één van de eerste kinderboeken die ik ooit kreeg, toen ik in het ziekenhuis lag. Dat boek heette "Van Sofie en de poffertjes", en was getekend door Jaklien Moerman. Dat boek is me zo dierbaar, dat ik het jaren geleden, tijdens de cursus "Materiaalverzorging" zelf heb hersteld, met plastic hoekjes plakken, en daarna de hele boel heb geplastificeerd. Op het http://www.leesplein.nl kun je een hele lijst vinden met oude kinderboeken. Wat meer is, de boeken in die lijst zijn nu nog steeds in de handel of in de bibliotheek te vinden. Zo heb ik vorig jaar op de boekenbeurs "Alleen op de wereld" van Hector Malot gekocht. Heel mooi boek, maar iets te zwaar om elke dag in m'n rugzakje mee naar m'n werk te gaan, om het op de middag te kunnen lezen.
Nog meer over dit boek?
Een deeltje in een boekenreeks, die "allemaal samen" heette, helemaal aan het begin van de jaren 80 van de vorige eeuw. Getekend door Jaklien Moerman. De reeks bestond uit een viertal boekjes denk ik, met elk twaalf één-pagina verhaaltjes in, in allemaal zo'n typische "Jaklien" tekenstijl. Die is nu een beetje oubollig, dat wel, maar wel erg mooi. Over jongens en meisjes, die heel gewone dingen doen. Sommen maken, dat niet leuk vinden, in de boekenkast van je vader heel oude boeken vinden, pannenkoeken bakken, poffertjes bakken, koffiemaken en popjes wassen, tot je mama je roept voor koek en limonade. Ik geloof (nee, ik ben er zeker van) dat dit boek "Van Sofie en de poffertjes" trouwens mijn allereerste boek was dat ik ooit kreeg. Dat boek is me zo dierbaar, dat ik het in 2001 zelf heb hersteld (beetje hoekjes verstevigen, verder ziet het boek er nog prima uit, ook na vierentwintig jaar (intussen bijna 30 jaar, nog drie jaar te gaan!!!!):-)) in de cursus Materiaalverzorging.)


* Van bellen blazen en eendje kwak : twaalf verhaaltjes
* Annemieke gaat op reis met de hoed van juffrouw Jo : twaalf verhaaltjes
* Marietje loopt te zingen ... : twaalf verhaaltjes
* Van Sofie en de poffertjes: twaalf verhaaltjes

zondag 23 december 2007

Reus / Klaas Verplancke

't Is wat, als je zo groot bent als Reus. Zijn hoed is het dak, zijn tenen liggen in de kelder. Daartussen woont de wereld. In de wereld worden elke dag hele kindjes geboren, en gaat iemand helemaal dood. Of er worden halve feestjes gegeven. Iedereen is welkom in het huis van Reus.

"Nopjes" en "Reus" horen samen. Maar "Reus" heeft veel meer een poëtische kracht in zich, en ik zat me ook niet af te vragen "hé, waarom moet dit nou?" terwijl ik dat bij "Nopjes" wel had, omdat ik het een beetje overdreven vond. "Reus" dus. Dit is ook een boek dat me echt doet inzien dat ik van fijne prentenboeken hou. Dat ik niet alleen wil lezen, maar zeker ook wil kijken. En detailtjes ontdekken.
Onthou: Reus kan je vriend zijn. Maar je moet hem dan wel willen leren kennen... Een pareltje.
Reus / Klaas Verplancke.- Wielsbeke : De Eenhoorn, 2005.- PRENTENBOEK.- ISBN: 90 5838280 X

zaterdag 22 december 2007

De zomer van de snoek / Jutta Richter

Anna wil dat alles blijft zoals het was. Maar dit kan niet meer. Niet alles is meer zoals vroeger.
Een prachtig boek, in twee zinnen samengevat. Anna, Lucas en Daniël zijn kasteelkinderen. Naast hen heb je de dorpskinderen en de boerenkinderen. Tussen de boerenkinderen en de straatkinderen, staan Anna, Lucas en Daniël als kasteelkinderen. Met hen klikt het niet. ("Grote mensen deden altijd alsof ze ons door en door kenden, maar ze hadden totaal geen idee. De boerenkindren spelen niet met ons omdat wij kasteelkinderen zijn, en de dorpskinderen konden ons niet uitstaan omdat de boerenkinderen ons met rust lieten".) Dus blijven ze fijn met z'n drieën. "Grote mensen begrijpen ons totaal niet. Ze denken dat Daniël verlegen is, maar dat is niet zo. Hij zegt gewoon niet veel. Maar wat hij zegt is belangrijk". Daniël en Lucas zijn dol op vissen. Anna niet zo, maar ze gaat toch regelmatig mee kijken naar wat Lucas en Daniël doen. Samen willen zij de snoek vangen, want dan wordt mama weer beter. Anna's moeder vertelt haar dochter op een avond zonder omwegen dat Gisela (de moeder van Lucas en Daniël) kanker heeft, en dat ze daarom niet meer werkt. Ze krijgt "vergif in haar lijf om ervoor te zorgen dat ze weer beter wordt. Dat dit chemo is, wordt dan weer niet vertelt. Daniël heeft immers gezien dat zijn moeders haar uitvalt, en Anna wil weten hoe dat komt. Alledrie vinden ze het heel erg dat Gisela ziek is, en allemaal (ook de moeder van Anna, en Peter, de echtgenoot van Gisela, en de vader van Lucas en Daniël) Alles in dit verhaal wordt zorgvuldig opgebouwd, ook wie wie is, kom je niet tegelijk te weten.
Je merkt dat Anna nood heeft aan een vriendin, maar dat ze twijfelt of ze nu zomaar aan Anna Sofia Schultsze-Wettering (boerenkinderen hebben dubbele namen) kan vragen of ze haar vriendin kan zijn. Later in het verhaal komt heel grof (maar dit is in het echte leven ook vaak zo) naar voren dat Anna Sofia toch maar beter blijft waar ze is, net als Anna. Er wordt namelijk over Gisela geroddeld, en over Anna's moeder, die Anna alleen opvoedt. (Net wanneer ik me afvraag waar Anna's vader naartoe is, omdat het me eerder niet zo opviel dat hij afwezig is, krijg ik het antwoord: "hij is weggegaan, hij woont niet meer bij hen") Maar Anna krijgt de antwoorden op de vragen die ze zich stelt, en haar moeder vindt het ook normaal dat Anna kwaad werd op Anna Maria Sofia, wanneer die Anna confronteert of het waar is dat Gisela snel doodgaat en of Peter dan met haar moeder gaat trouwen.
Dit boek zou echt triest kunnen zijn, en dat is het misschien ook wel, maar anderzijds omvat dit boek gewoon een aantal levens, die lopen zoals ze lopen, omdat er nu eenmaal niets aan te doen is dat mensen ziek worden en doodgaan. Het stelt vragen over God en de dood, en waarom God er niet voor kan zorgen dat mensen blijven leven. Lucas en Daniël geloven in de snoekgod, wanneer ze die vangen, wordt mama weer beter. (Helaas: wanneer Daniël en Lucas de snoek eindelijk gevangen hebben, is Gisela dood) (en dan kan alles weer van voor af aan beginnen(?)(en alles was zoals het altijd was).
Op taalgebruik en uitwerking is niets aan te merken, het loopt allemaal goed, de personages zijn goed uitgewerkt, ze hebben een karakter en begrijpen elkaar. Ze maken nooit overdreven ruzie om sensatie te hebben bij dit verhaal, ze doen dit wanneer het niet anders kan. Anna twijfelt wel eens of haar moeder haar graag ziet; toen zij geboren werd, bekende haar moeder dat zij liever een jongen had gehad. Anna ziet dat haar moeder wél met Lucas en Daniël liefdevol omgaat: een arm over schouders, een knuffel. Maar toch merk je als lezer dat haar moeder Anna voor geen geld ter wereld wil missen. Ouders zijn ouders, en kinderen moeten naar hun ouders luisteren, ze hebben structuur. Ouders zijn niet de vrienden van hun kinderen, maar volwassenen tov kinderen, met elk hun eigen behoeften. Het taalgebruik neigt naar wat Bart Moeyaert doet. Heeft heel veel weg van de stijl van "Kus me" , "Suzanne Dantine" en "Blote handen". Bevat een beetje dezelfde soort spankracht. Pracht van een boek.
De zomer van de snoek / Jutta Richter.- Tielt : Lannoo, 2005.- 90p.- 90-209-6042-3

vrijdag 21 december 2007

Jeugdboekenweek 2002: Wonen, onderdak (2)

"Stop! We zijn er!" roept Haas. Vos zet de koffers neer. "Weet je zeker dat het hier is?" vraagt hij. "Ik zie alleen maar zand. En water. En twee bomen."Een eiland in het zuiden is heel anders dan een bos. Je kunt er schelpen rapen. En greppels graven. En een sneeuwpop maken die niet smelt. Zelfs de sterrenhemel is er wijder en dieper dan thuis. Of lijkt dat maar zo?
Dit boek kozen wij met z'n drieën, om rond te gaan werken, en dit voor kinderen met leer(s) problemen tussen de 8 en de 10 jaar, 3e-4e leerjaar dus. We hielden het (bewust, misschien?) klein, zodat we voldoende interactie met de kinderen konden hebben. Hoewel we alle kinderen van de "leesgroep" van een collega van ons (op wiens werkplek we het project uitvoerden) hadden uitgenodigd (een twintigtal kinderen) hadden we maar respons van een 11 tal kinderen. Maar dit liet ons dan ook toe om ECHT de kinderen te laten meewerken met hetgeen we deden. Ook het feestje dat we organiseerden, kon hierdoor tenvolle tot z'n recht komen, vooral omdat we de hapjes (uit "Het Koekboek van Vos en Haas") zelf nog moesten klaarmaken, en daaraan hadden we een leesopdracht voor de kinderen gekoppeld, zij moesten (met uitvergrotingen) stap voor stap zelf lezen wat ze moesten doen om de receptjes tot een goed einde te brengen. Hieronder zie je het resultaat, van het toneel dat we rond "Vos en Haas op het eiland" speelden, en de receptjes uit het boek, vastgelegd op foto. We hebben ons ook laten inspireren door een paar tekeningen uit het boek, die je hieronder afgebeeld ziet.

Haas werkt hard en Vos werkt hard. Haas wijst de stenen aan en Vos draagt ze. Wat een karwei! Maar na een poos zijn ze toch klaar. Kijk maar! Ziet de tent er niet prima uit? "Knap hoor, vindt Vos. "Knap van jou, Haas. Ik dacht: met stenen bouw je een huis. Maar jij bouwt er ook een tent van!" "Een tent BOUW je niet. Een tent ZET JE OP," verbetert Haas. Ze klinkt nog wat boos. "Jij DEED niet veel, Vos," mokt ze weer.

"Alleen aan het eind hielp je een beetje. "Ik deed WEL wat!" roept Vos. Ik vond een schelp!" "Een schelp? Waar is die schelp dan?" Dat weet Vos niet meer. "Ik legde hem hier ... Of nee, daar... Of..." Arme Vos, hij is de schelp kwijt! En nu gelooft Haas hem niet eens!

Het is al laat. De zon gaat onder. De zee kleurt er rood van. Straks is het nacht. En Haas zoekt nog steeds naar de schelp! "Haas! Haas! Kom je nog? Kom bij mij in de tent! Ik heb de spullen uitgepakt. Ik heb de bedden opgepompt. Welke slaapzak wil je? De rode? Of de gele?" "De groene..." mompelt Haas verstrooid. Ze denkt alleen aan de schelp. De zee is zwart. Het strand is zwart. En de lucht? Is die ook zwart?
Fragmentjes uit "Vos en Haas op het eiland" voorlezen en de kinderen ook stukjes laten voorlezen: Haas wil de winter overslaan, en wil daarom graag naar het Zuiden, waar het altijd warm is, en altijd lekker weer. Maar dan krijgt ze toch wel wat heimwee...




(Fragmenten afkomstig uit "Vos en Haas op het Eiland / Sylvia Vanden Heede ; Thé Tjong Khing, Lannoo, 2001)

Jeugdboekenweek 2002: Wonen, onderdak

In het schooljaar 2001-2002 hadden we in de bibliotheekschool, tijdens de cursus Kinderboekwerker, de opdracht om voor de jeugdboekenweek een leuke leesbevorderingsactiviteit uit te werken voor kinderen. Wij kozen met drie mensen een opdracht uit te werken rond de boeken van Vos en Haas, van Sylvia Vanden Heede en Thé Tjong-Khing.
Uit dit boek komen de receptjes, waarvan je hieronder de foto's kunt zien, met enthousiaste uitleg over wat de kinderen ervan vonden. De foto's geven een feestje weer, waarmee we onze namiddag afsloten. Wij vonden het zelf ook heel erg leuk, het was een zeer leuke, leerrijke ervaring, ook voor de kinderen, die tijdens het leesmoment dat we ook inlasten, zeer geboeid naar elkaar konden luisteren, ook al was het boek "Vos en Haas op het eiland" voor sommigen een beetje boven hun niveau. Zoals op de inleidende pagina al gezegd, moesten de kinderen op uitvergrootte prenten, zelf lezen en uitvoeren wat er stond, en maakten we er een tweede leesopdracht van. Maar ook dit verliep zeer vlot! We zouden indien we nog zo eens een activiteit voor kinderen organiseren, wel meer tijd vrijmaken voor een "kennismakingsronde", want dat verliep een beetje stroef allemaal, omdat de meeste kinderen elkaar niet echt kenden, en wij zelf ook niet echt namen kenden, en we de kinderen dan ook niet echt persoonlijk konden aanspreken.

Zoete hartjes. De kinderen uit dit groepje waren zo enthousiast hierover dat ze 's avonds aan mama of papa vroegen of ze ook zo'n boterham mochten maken. (Je moet de lagen op elkaar leggen, in de vorm van een hartje of een sterretje of een rondje, een hartje smeren, een hartje brood, en weer een hartje dat je smeert met een of andere zoetigheid, bv chocoladepasa, waardoor je dan een tandenstokertje prikt. Zo heb je een "boterham in lagen." Je kunt de boterhammen ook met hartig beleg maken.

Heel lekker, voor kinderen toch. Wij drieën vonden het net alsof er een zak suiker in je smoeltje ontploft. Zulke zoetigheid! Maar we hebben wel allemaal een versierd koekje gegeten. Je hebt hiervoor droge biscuitjes nodig, water of fruitsap, en kleurige snoepjes. Oh, en een lepel bloemsuiker om "het glazuur" te maken. Dit maakt het hele zootje natuurlijk wel verschrikkelijk zoet. Vind je ze niet mooi, onze koekjes?
De Eierbootjes waren wel de moeilijkste opdracht, maar erg leuk. Eitjes hardkoken, het eigeel eruit scheppen, hesp fijnsnipperen met wat mayonnaise, roeren, en dan dit mengsel terug in het ei scheppen. Dan een tandenstokertje nemen, en daar een driehoekje salami opprikken als een zeil.

donderdag 20 december 2007

Piep en de dief / Jonas Boets ; Leen Van Durme

Piep de muis droomt dat zijn kaas weg is. Dat is geen leuke droom, want Piep eet heel graag kaas. Als hij opstaat, is zijn kaas ECHT weg! Wie heeft zijn kaas gestolen? Samen met Roel de uil en Prik de egel, gaat hij op onderzoek. Raf de rat blijkt Piep’s kaas te hebben, en samen bedenken Roel, Piep en Prik een plannetje om Raf in de val te lokken en de kaas terug te krijgen.Dit is een “eerste lezersboekje” met inhoud. Het heeft mooi tekeningen, ECHT mooie tekeningen, De tekeningen zijn in kleur, en in proportie met het verhaal. De illustrator maakte hier echt haar werk van. Ze passen goed in het verhaal, met voldoende afwisseling tussen de tekst en de tekeningen, zonder dat de tekeningen te overdadig aanwezig zijn. Daardoor maakt het verhaal zich goed leesbaar met een duidelijk lettertype. Daarbij komt ook dat dit “eerste lezersboekje” een ECHT verhaal is, met dialogen die ergens op slaan, die maken dat je wilt verder lezen. Het is best spannend om mee te volgen of Piep met behulp van Rein de Vos (waarom heet elke vos in elk dierenverhaal Rein of Reinaart of een afgeleide daarvan? Gemakkelijkheidshalve? (Het viel me op)), die de baas is van het hele bos, en overal wel raad mee weet, Prik de egel (BEETJE origineler qua naamkeuze zou mogen) en Roel de uil, er zullen in slagen om Piep’s kaas terug te krijgen van Raf de rat (leuke alliteratie, hier past het wel. Bij de andere namen ook wel, maar het viel me ook weer gewoon op.) minpuntjes zijn dat in dit boek, weinig uitdieping zit. De overgang naar het plan van Roel de uil om Raf de rat te gaan zoeken, en de uitvoering daarvan is een beetje kort, en dat valt me bij bijna al de gelezen boeken op. Het plan is nog maar net gerijpt, Roel vliegt weg, Piep zoekt in het bos, maar beiden vinden ze Raf de rat niet. Wanneer de zon weer op komt (nacht vergeten?) ziet Roel Raf onmiddellijk. Terwijl het plan om Raf in de val te lokken, wel goed uitgewerkt is. Ook de overgang naar “Piep is op weg naar Prik” is een overgang die er geen is. Moet hij niet bedenken wat hij nu ZELF gaat doen? Onze Piep? Piep lijkt me wel een slimme muis, overigens. Beetje snelle afwerking?
Piep en de Dief / Jonas Boets ; Leen Van Durme.- Wielsbeke : De Eenhoorn, 2004.- 32p. : ill.

woensdag 19 december 2007

Een cultureel jaaroverzichtje!

Met hier en daar een beetje gezeur, maar met vooral heel veel moois, gezien, gelezen, of gehoord.

Op boekengebied waren er in 2007 een aantal prentenboeken die er voor mij echt uit sprongen, te weten: “Linus” van Pieter Gaudesaboos, Sabien Clément en Mieke Versyp. Over Linus, die heel vaak alleen is, maar gelukkig een grote fantasie heeft, in de vorm van het jongetje Boris.

Er was “Een raadsel voor Roosje”, vers van André Sollie. Een ronduit prachtig boek als geheel, zowel voorplat, tekst, als tekeningen. En niet te vergeten: een boodschap van troost.

Edward van de Vendel voert met “Een miljoen Vlinders” het olifantje Stach op, die op een nacht allemaal vlinders rond zich ziet vliegen. Zijn ouders weten dat het tijd is, tijd voor Stach om zijn eigen weg te zoeken. Een prachtig boek, heerlijk grote prenten van Carll Cneut, die de sympathie de de lezer voor Stach kan voelen, alleen maar groter maken, maar dat geldt zeker ook voor de tekst. Er zit een cd bij het boek, die het verhaal voorleest, ingelezen door Roel Vanderstukken. Met muziek, én tijd om tijdens het luisteren een ietwat rustig naar de prenten te kunnen kijken. Heerlijk.

Wolf Erlbruch heeft wat mij betreft in 2007 ook weer een hoofdvogel afgeschoten. Deze Duitse illustrator / verteller heeft met “De Eend, de Dood en de Tulp” een juweeltje gemaakt, in beeld, in vorm en in tekst. Als je naar de prenten van de Dood kijkt, zou je er zowaar sympathie voor gaan krijgen: een mannetje weliswaar zonder vel over de knoken, maar wel met een deftig vest aan, met helder kijkende putjes… Met dit boek is er niets om bang voor te zijn, lijkt het, en je kan zonder al te veel drama aanvaarden dat de dood nu eenmaal bij het leven hoort. Mooi, niet vrijblijvend, wel beklijvend.

Harry Potter heeft een laatste(?) boek. Leuk, met allerlei festiviteiten in verschillende boekhandels bij het verschijnen van de Nederlandse uitgave van “De relieken van de dood.”

Ik heb met “De helaasheid der dingen” voor het eerst meegedaan aan een “leesgroep” rond dit boek. Ik moest bekennen dat het gepraat met volwassenen rond ook een boek voor volwassenen iets raars is, maar voor een keer wel een fijne ervaring was. Toch: ik ben liever voor kinderen met kinderboeken bezig dan dat ik als volwassene met andere volwassenen over een boek ga praten.
Al was deze leesgroepervaring er wel een om nog maar eens te ontdekken wat een goed boek “De Helaasheid der dingen” van Dimitri Verhulst wel niet is!

Strips? Ook. Een beetje. Ik moet eerlijk, en graag ook, bekennen dat ik met véél meer aandacht naar de stripafdeling in de Fnac kijk naar wat er allemaal is, sinds ik boekbesprekingen schrijf voor mijn eigen rubriek bij Stripelmagazine. Zelf gekocht overlaatst: deel twee van “De wind in de woestijn” van Michel Plessix, nadat ik het vorige deel daarvan al had gekocht, wat dan weer op zijn beurt volgde op de geweldig bevonden eerste reeks: “De wind in de wilgen”, naar de boeken van Kenneth Grahame, over Rat, Das, en Pad. Heerlijk.
“Vallende ziekte” heeft ook een tweede en laatste deel, maar ik ben nog niet verdergeraakt dan even kijken. Heel moeilijk lettertype om makkelijk te lezen te zijn. Er is Conz, waarvan ik de eerste twee delen van de “De Tweede Kus” gekocht heb, op de boekenbeurs nog wel. Nog: Frank en Bonifay, die drie delen heeft over een zoo, ergens in Normandië: Zoo, een wereld apart, Zoo in de storm, en tenslotte deel drie om de trilogie af te ronden.
Strips zijn nu voor mij ook veel meer boeken die kunnen wedijveren met het leesboek: ook strips kunnen een goed verhaal bieden!

De boekenbeurs, waarvan ik in 2007 bedacht dat ik er al veertien achter mij heb gelaten, zonder daarna, in 1992, er nog één over te slaan. Heerlijk, die sfeer, die boeken, die letters, de geur die er hangt. De mensen die jou zien en omgekeerd. Ach. Fijn allemaal.

Het was een fijn jaar, met veel lettertjes en af en toe een album met meer plaatjes dan lettertjes.

zondag 16 december 2007

Nieuwsgierig het jaar uit, en een nieuw in, vrees ik...

Wat is dat toch met "Briek" van Pieter Gaudesaboos? Jan De Kinder gaat er ook al in mee, tijdens zijn blogmaand op de Villakakelbontblog... Heerejee, ik heb nooit geweten dat een mens zo benieuwd kan zijn...
en nog meer hier op zowaar een eigen Briek-blog!
Aaaarrrgghhh!

vrijdag 7 december 2007

Sam Smith en het duivelskruid / Jonas Boets

Sam Smith, een leerling-geheimagent op een Londense school, vindt de president-directeurgeneraal, meneer Autumn, in een coma op de vloer van zijn kantoor. Op zijn lippen zit een groene streep. Wat is er met Autumn gebeurd? Sam ontdekt dat meneer Autumn het slachtoffer werd van “Duivelskruid”, en dat hij zal sterven binnen tien dagen, wanneer hij niet snel het tegengif krijgt toegediend. Alleen, het tegengif is er nog niet…
Heerlijke leeservaring. Je wilt echt weten hoe het boek zal aflopen, zonder ooit maar een spoortje van “ach ja, ik had het kunnen weten”, of “natuurlijk slaagt Sam in zijn opdracht”. Een beetje een Vlaamse versie van Harry Potter, vond ik. Maar dan met een leerling-geheimagent op een gelijkaardige school. Vooraan in het boek zit een lijstje met wie wat doet op school, en wat voor eten je kunt vinden. Het boek is geweldig spannend, en nooit belachelijk. Het heeft vaart en humor, de personages leven samen met elkaar, en ze nemen het voor elkaar op, maar het oogt nergens als in een goedkope actiefilm, of een goedkoop actie-boek. De leerkrachten worden goed getypeerd, en zijn misschien een beetje “vriend” van hun leerlingen, het is eens wat anders dan norse bullebakken als leerkrachten, zoals dat soms in andere boeken rond het schoolleven weleens wil voorkomen. Autumn is een directeur die vooral zichzelf graag bezighoort, en in monologen spreekt, bijvoorbeeld. Soms denk je dat je weleens een Engels boek kunt zitten lezen. Hoewel dit boek van een Vlaming komt, speelt het boek zich in Londen af, en hebben alle personages Engelse namen. Maar dit vergroot de betrokkenheid, juist doordat het een iets “verder van je bed” is. Sommige kleine elementjes zorgen ervoor dat je die jammer vindt, omdat de rest van het verhaal (en het taalgebruik, inclusief de humor en de vaart) zo goed loopt. Zoals een computer die begint te “tuten”. Begint te biepen, of een alarm geeft, weet ik veel. Daphné die rechtstaat en begint rond te wandelen in Sams kamer, in plaats van “op te staan” en begint rond te wandelen.
Ook jammer is het lezen van de achterflap, die twee tegenstrijdigheden vertelt, die in het boek ook nog eens ontkracht worden. “President-Generaal Autumn was dood.” meldt de ongeveer eerste zin van hoofdstuk één, evenals de eerste zin op de achterflap. In het tweede stukje op de achterflap wordt dit echter al ontkracht, door te melden dat de directeur in coma wordt aangetroffen. Hij onderzoekt hem een beetje, bevoelt zijn keel – hij voelt geen hartslag! Zei de eerste zin niet: “hij is dood”? En denkt Sam niet dat, wanneer hij harder op Autumns keel duwt, hij diens hart voelt kloppen? Het verdere wat volgt, is blijkbaar alleen maar een beetje een flauwe inleiding voor een erg sterk verhaal. Hoofdstuk twee begint met de portier die meneer April vervangt voor het vak: “vermommingen”. Daphné beledigt de portier echter, en deze begint daarop te huilen. De leerlingen willen hem helemaal niet beledigen en bieden hun verontschuldigingen aan. Tot blijkt dat meneer April wel degelijk in de klas is, dat hij zich vermomde in de portier. Dat is redelijk klassiek, en even denk ik als lezer nog: slap. Wat het ook is. Maar dit wordt ruimschoots goedgemaakt. Maar dit zei ik al. Zeer sterk. Ook dat het om een vervolg gaat, merk je nauwelijks. Slechts hier en daar wordt met één zin naar vorige elementen uit vorige boeken verwezen: Emma Blocks en Tom Hobbs, bijvoorbeeld. Tom Hobbs was door toedoen van de school in de gevangenis belandt, en Summer is al in Rusland geweest voor een opdracht. Sam haalt als ontbijt ook wel eens landkaarten met bloed uit de muur (leerlingen halen hun maaltijden op school uit de muur), waarvoor geen uitleg volgt over wat dit moet voorstellen, of ik moet eroverheen kijken) Twee detectieves die mee komen onderzoeken wie de dader is, heten Thelma Dampsey en Louise Mcpeace. De leerlingen moeten voor het vak geuren en kleuren een geur benoemen, en het groepje van Sam denkt dat het om een Italiaanse peetvader gaat. Heeft de auteur én naar Dampsey en Makepeace gekeken, én naar The Godfather én naar Thelma en Louise? Leuke vondsten. Humor is ook goed gedoseerd aanwezig: “De wallen onder zijn ogen zouden gemakkelijk een kangoeroebaby kunnen herbergen.” (p.48), Sam keek naar Daphné alsof ze net gezegd had dat de aarde plat was en je er aan het uiteinde kon afdonderen” (p. 49) “Daphné vinden in de school was ongeveer even moeilijk als de koningen van Engeland lokaliseren in één van de vele vertrekken van Buckinghampalace.” (p.61) Ook beeldspraak is af en toe op een grappige manier aanwezig, zonder dat het mij gezocht lijkt: “Haastig doorzocht hij de hoop, als een kind dat de krabbetjes van de rommel in zijn visnet probeert te onderscheiden.” “Enkele dappere vliegen die het er op hadden gewaagd om zich te goed te doen aan de achtergelaten lekkernijen hadden hun stunt moeten bekopen met hun leven”. “Gefrustreerd omdat hij niet vond wat hij zocht, zwaaide hij met zin arm over de tafel en verbande alles wat er op lag naar een verblijf op de grond. (January is opzoek naar een flesje neusspray dat ervoor moet zorgen dat zijn neus intact blijft onder alle omstandigheden.) “Daphné was naar de ironie winkel gegaan en had haar boodschappenwagentje goed volgeladen”(“Oh, dan is het goed hoor! Dat verklaart alles! Je wilde alleen zijn, maar toen kwam je iemand tegen in de gang. En als je iemand in de gang tegenkomt, dan kun je er niet zomaar langslopen. Nee, dan moet je daarmee praten, en liefst nog over belangrijke zaken!
De leerlingen zijn eveneens goed uitgewerkt, ze hebben echt een eigen karakter, net als in de boeken rond Harry Potter, alleen zijn deze leerlingen in opleiding om geheimagent te worden ipv tovenaar. Dit boek (deze reeks?) is ook veel minder zwart/wit en de plot zit beter in elkaar. Hier is het namelijk NIET de hele tijd zeker dat Sam tot de oplossing zal komen, hoewel je dat van een reeks als lezer wel kan bedenken. Je hebt hier ook een zeer goede plot, de dader heeft het syndroom van Booy, wat ervoor zorgt dat je overal complottheorieën in kunt zien, en hij wil de leerlingen redden. De dader denkt trouwens in cursief, en het is ook alles behalve duidelijk, alvast zeker niet van bij het begin, wie de dader is. Sterk.
Sam Smith en het duivelskruid / Jonas Boets.- Manteau, 2004. - 10+

zondag 2 december 2007

De helaasheid der dingen / Dimitri Verhulst

In “De helaasheid der dingen”, keert de auteur van dit boek, terug naar zijn jeugd, die hij doorbracht in Reetveerdegem. Daar woont het jongetje dat hij beschrijft, samen met zijn vader, en zijn nonkels, allen mislukt in het leven, en zware drinkers, bij zijn grootmoeder, die de moeder is van de vier nonkels. Je krijgt door de ogen van het jongetje “Dimmetrie”, zoals zijn nonkels en zijn vader “onze Pie”, hem noemen – ook wel “Kleine” – een inkijk in hun armoedige bestaan in het Vlaanderen zoals het hen voorstond. Het Vlaanderen van dronkenschap, drinkwedstrijden in groezelige kroegen. Je krijgt ook een inkijk in het ontluikende seksuele leven van de jonge Dimitri, maar verwacht geen vunzigheid. Behalve een fenomenaal observatievermogen beschikt Verhulst over een hele mooie pen:
“Niemand die ooit geduldig in het gras gelegen heeft en een bloem uit een knop zag springen, of die een vlinder zijn larvenlijf zag aan de kapstok hangen en aan het leven beginnen als een ware avatar, zal de kosmische verwondering begrijpen die ik voelde toen ik Helenes borsten zag ontstaan. Een gevoel dat men, indien mogelijk, in potjes zou willen doen. Voor later. Een vingerhoedje ervan op de tong telkens wanneer het moeilijk wordt. (Hoeveel van die potjes zou ik reeds nodig hebben gehad? Zou ik er nog iets van overhebben?) (p.33)
Het boek is opgebouwd uit korte stukjes, zodat het soms lijkt alsof je columns leest. Toch komen de verhalen op bepaalde tijdstippen weer bijeen, en stoort het korte van de verhalen niet om toch tot een fijn boek te komen. Je zou kunnen zeggen dat dit boek een soortement autobiografie is, een autobiografie van een auteur die het milieu waarin hij opgroeide, kon ontvluchten, en daar blij om is. Dit boek is bovenal heel erg eerlijk: of je nu dit boek leest, of een interview leest of hoort met Dimitri Verhulst: het is WAAR, met waarschijnlijk in het boek hier en daar een verbloeming. Het fenomenale drankmisbruik van zijn nonkels en zijn vader is aanwezig, en wel het hele boek door, met soms veel vunzige details, zodanig dat je wanneer weer een nonkel zijn roes ligt uit te slapen, de stank die in de kamer, die ze met z’n vieren en zoon Dimitri, delen, als lezer kunt ruiken. In interviews lees je wel dat Verhulst bang was van zijn vader, die soms met een mes achter hem aanzat in een dronken bui, maar daar dan later door verging van de spijt, maar dit zijn dingen die in het boek niet naar voor komen, hooguit krijg je te lezen dat de stoelen aan elkaar werden gelijmd nadat ze door de kamer zijn gegooid. (“de meeste van onze stoelen stonden op instorten en waren volkomen onbetrouwbaar geworden sinds mijn vader ze in een bezopen furie tegen de muur had gemept.” (p.92))
Wanneer dit boek expliciet het drankmisbruik met alle gevolgen van dien zou gaan beschrijven, zou je een wel erg plat boek krijgen. Dit is nu absoluut niet het geval. Nu heb je een boek waarin veel triestigheid zit, maar zeker ook humor, en heel veel liefde. Liefde voor mensen waar de auteur zich inmiddels “geen van hen” meer voelt, maar de liefde doet rare dingen met een mens. “Ik had zonder dat kind naar hier moeten komen, zodat ik me had kunnen bedrinken met mijn nonkels, zodanig veel tot we weer jankend elkaar onze liefde verklaarden en zongen. Ik ben het die mij als een vreemde heeft gedragen, als een vreemde die ik misschien ook geworden ben, en het was pedant geweest hen niet over mijn geluk te willen vertellen omdat zij daar misschien geen boodschap aan gehad zouden hebben terwijl ze blij zouden zijn te horen dat ik het goed heb. (p.206)
Je merkt ook dat Verhulst volwassen wordt doorheen het boek. Over het kind dat hij heeft met een vrouw die hij verliet is hij wat mij betreft ook pijnlijk eerlijk: hij heeft hem niet gewild, zijn zoon, en wilde dat hij doodgeboren was. Toch merk je ook dat hij van zichzelf vindt dat het redelijk stom was: er waren voorbehoedsmiddelen genoeg, die niet gebruikt zijn. En of hij dat kind echt niet graag ziet, het is relatief, volgens mij. “Ik zie dat hij zich verveelt. Hij scheurt bierviltjes en boetseert figuurtjes met de aluminiumfolie waarin zijn stuk chocola verpakt zat. (p194) “Ik ben zijn vader en zo zou ik me ook moeten voelen, maar ik ga er niet aan kapot dat ik hem slechtst tweewekelijks zie. Ik mis hem nooit als hij er niet is, ik zou het geen straf vinden om hem een jaar lang niet te zien. Vaders zijn voor alle dagen, nemen geen snipperdagen. Als hij er wel is vind ik dat prettig, meestal soms, ik sloof me uit om het hem naar zijn zin te maken, bied hem samen met mijn vriendin een manier van leven aan waar hij mee doet wat hij wil. Ik zie dat hij anders is opgevoed dan ik zou wensen, maar ik heb gemakkelijk praten, ik voed hem niet op. Een soort nonkel van mijn eigen kind ben ik.”
Op de een of andere manier is hij ook wel trots op zijn zoon, die hij meeneemt naar Reetveerdegem, naar het kerkhof waar zijn vader begraven ligt. Hij meldt dat hij grootvader is geworden.
Prachtig, eerlijk vlot leesbaar boek.
De helaasheid der dingen / Dimitri Verhulst .- Amsterdam : Contact, 2006.- 207p.- ISBN 90 254 27731
klik ook hier voor nog iets kleins over Dimitri Verhulst...