zondag 27 januari 2008

Tsjilp, zegt de vis / Wally De Doncker ; Veerle Derave


De mus zit droef bij de sloot. Ze wil geen mus meer zijn. Ze vraagt de vis om hulp. Zou hij haar kunnen helpen? En hoe zou dat dan zijn? Zou de mus een vis kunnen worden?
Je moet constant je gedachten bij de tekst houden. Toch is het niet zo dat dit de gang van het verhaal tegenhoudt. Het loopt vlot, en lijkt me nergens gezocht. En ook: een boek van circa 80 pagina’s vullen met éénlettergrepige woorden, het is mijn inziens geen sinecure. Toch werd niet krampachtig aan dat gebruik vastgehouden, en vindt je hier en daar toch een tweelettergrepig woord wanneer er geen eenlettergrepig woord te vinden is.
Soms is het wel zo dat ik tijdens het lezen van het boek een paar keer serieus “door knopen” heb moeten zoeken naar wat nu juist gezegd werd, en door wie. De mus wil geen mus meer zijn, en ze ruilt hiervoor met de vis, die het wel ziet zitten om met zijn lijf een mus te worden, maar in zijn hoofd zeker een vis te blijven. En omgekeerd voor de mus ook: zij wordt vis, maar in haar hoofd blijft ze een mus. Die “gedaanteverwisselingen” zijn bovendien niet zo goed uitgewerkt, dat het duidelijk kan worden dat niet de mus, die vis werd, aan het woord is, dan wel omgekeerd. Dus ook daar moet je als lezer misschien bij jezelf te rade gaan bij wat je in de tekst voor jezelf gelezen hebt. Dat maakt het geheel wel uitermate boeiend. Van bij het idee dat de vis en de mus met elkaar willen ruilen, wordt je als lezer meegenomen in het wachten, op de vis, die eerst nog eens “diep wil duiken, dan weet hij straks hoe hoog zal zijn”. Komt de vis nog terug? Of vergeet hij de mus? Ze hebben een spreuk afgesproken: (hoofdstuk “traan”.): (…) “Ik ben klaar”, zegt de vis. “Fijn, zeg me na: ik ben ik, jij bent jij. Nu toch. Nu nog.”
(en de vis zegt de spreuk na). Daarna is het niet duidelijk of ze nu al van lijf gewisseld zijn of niet. Dat kom je pas twee bladzijden later te weten, en dat maakt het lezen even moeilijker. ze zijn tijdens de eerste stukjes van dat hoofdstuk nog niet gewisseld, en de spreuk bleef “een oefening”. Langs de andere kant is het wel goed dat het verhaal gewoon blijft doorlopen zonder uit te wijden of ze nu al gewisseld zijn.
Ook is er een hoofdstukje dat begint met “Hoe zou het met de mus zijn?” vraagt de mus in haar hoofd. Dat is heel erg kronkelig, omdat het de musvis is die aan het praten is met de mus in haar hoofd. Maar het verloopt niet stroef, je moet alleen erg bewust zijn dat je het boek misschien wel twee of drie keer moet lezen om mee te zijn.
De herhalingen, die maken dat je als lezer bijna kunt meezingen, zijn leuk om te lezen, en zitten meteen in je hoofd: “Het is zo, het was zo, het zal zo zijn”. Heel erg leuk, en heel erg waar.
Maar in dit boek zitten een aantal elementen die niet kunnen. Mijn haar komt er telkens weer van overeind staan, omdat het niet kan, echt niet. Er staan een paar koeien in een wei, die voor het overige heel normale dingen doen voor een koe: gras kauwen en loeien. Zelfs de mus die op de koe haar rug komt zitten rond hippen is realistisch. Maar weer: de ene koe zegt beu (“ben je het beu?” Vraagt de mus.) Waaruit blijkt dat die koe het inderdaad beu is om altijd maar gras te moeten eten en koe te zijn. Maar dat is nu zo, en daar valt ook niks aan te doen. Maar het wordt ook niet drammerig. Dit klopt wel. Maar! De andere koeien zeggen boe of nog bui. Maar één van hen wil wel eens bliep of blop zeggen. Dat lukt niet, en dat is maar goed ook. Dat DOEN koeien niet! Het is echt jammer dat je toch zo iets stoms in verder een heel goed boek wil stoppen. Maar verder is op dit boek niks aan te merken, en het daagt uit. Mooi. Alleen is het wel zo dat de tekeningen haast niks bijdragen tot de tekst, maar wel een welkome afwisseling zijn in een ietwat moeilijker boek. Waarschijnlijk geen boek dat bedoeld is voor kinderen die net leren lezen. Het thema (nadenken over wie je bent en wat je zou willen zijn) is hiervoor te moeilijk, ook al heb je hier een boek dat louter uit éénlettergrepige woorden bestaat. Waarschijnlijk is dit boek ook een ietsje te dik om nog te kunnen spreken van een boek voor eerste lezers.
Tsjilp, zegt de vis / Wally De Doncker ; ill Veerle Derave.- Leuven : Davidsfonds, 2004.- 90p.: ill.- ISBN 90-5908-095-5

maandag 21 januari 2008

50 jaar de Smurfen

50 jaar geleden tekende Peyo zijn eerste smurfen. Hier kun je een erg fijne site vinden rond De Smurfen, aan wie ik zelf ook fijne herinneringen overhou. Wij lazen vroeger de mini-leesboekjes over de Smurfen, en ik herinner me "De leerling toversmurf", over een jonge smurf die wil leren toveren. Maar Grote Smurf vindt hem nog te jong, en de jonge smurf gaat zelf op onderzoek uit, met alle gevolgen vandien. Bovendien belandt hij in de handen van de gemene tovenaar Gargamel...
Ik geloof dat ik mijn eigen smurfenpaddestoel maar weer eens even ga bovenhalen dit jaar. Kan ik fijn meevieren.

zondag 20 januari 2008

Terug naar Hamelen / Bill Richardson ; Mark Janssen

Dit is een hervertelling van het sprookje van De Rattenvanger van Hamelen. In dit boek wordt echter ook veel dieper ingegaan op de persoonlijkheid van de Rattenvanger. Je komt te weten dat hij een echte tovenaar was, een liefhebber van zwarte kunst ook. Hamelen wordt geteisterd door een rattenplaag, en wanneer een man aanbied om ze te verjagen, iets wat de bewoners niet gelukt is, beloven de dienaars van de wet hem 500 goudstukken. Wanneer de ratten echter verjaagd zijn, vinden de dienaars dat de rattenvanger maar moet verdwijnen, zonder beloning. Dit is echter niet wat de rattenvanger wil. Hij ontvoert de kinderen uit Hamelen. Waarheen? Dat weet niemand.
En hier gaat dit verhaal verder. Penelope, nu een vrouw van 101 jaar oud, was elf toen de rattenvanger de kinderen met zijn fluitspel de stad uit floot. Penelope werd op de dag van haar elfde verjaardag echter doof wakker. Dus kon zij de tovermuziek van de rattenvanger niet horen. Ook Allowee, die blind is, en bij hen inwoont (Penelopes ouders Govan en Ebba, en zus Sofie) is kunnen blijven waar hij is, omdat hij de fluitspeler niet kon zien.
Op “elven”, een feestelijke dag voor meisjes die elf worden, zorgt de oude Cuthbert ervoor dat elk meisje op die dag te horen krijgt wat haar speciale gaven zijn. De gave van Penelope kan ervoor zorgen dat zij de kinderen uit de handen van de rattenvanger kan halen. Zij heeft immers de gave van de “diepe dromen” die er op hun beurt voor kunnen zorgen dat je persoon slaapt, maar dat je in je droom echt dingen kunt verwezenlijken. Dit boek gaat hier diep op in, en heeft verrassende wendingen. De oude Cuthbert is bijvoorbeeld de oudere broer van de Rattenvanger, die ook een begenadigd diepe dromer is. Cuthbert heeft echter de goede kant gekozen. In zekere zin heb je hier een “goed” en een “slecht” mens, echter nooit zo zwart wit dat de kwaliteit van dit boek verslapt. Nooit is dit boek een teveel aan actie of een teveel aan spanningsvelden, het is goed gedoseert, de personages zijn levend. In dit boek spreken de dieren ook, maar dat is enkel zo in de diepe droom van Penelope. Katten en mensen leven er vredig naast elkaar, en ze krijgen van elkaar ook andere namen. De kattennaam van Penelope is bijvoorbeeld Gans. Schavuit is trouwens de eerste metgezel die Penelope in haar droom tegenkomt. Van de Trolavianen, een volkje dat leeft in een besneeuwd koud klimaat, komt Belle hen helpen. Zij vertelt dat draken in een mild klimaat leven, en dat zij zouden doodgaan van de kou in Trolavia. Draken zijn in dit verhaal ook niet wreed, en ze spuwen ook geen vuur. Ze zijn niet geschubt, maar hebben een zacht vel, waarmee, wanneer draken doodgaan van koude in Trolavia, de Trolavianen omslagdoeken maken. De draak die in dit verhaal verloren loopt, en zo op Penelope en Schavuit loopt, heet Quinten, en hij is verbazend goed in touwtje springen. Samen trekken ze verder, opzoek naar wat later in het boek de burcht is, waar de rattenvanger met zijn rattenleger (= de kinderen van Hamelen, die hij in ratten heeft omgetoverd. Hij doet dit met een spreuk, die verder ongedefinieerd blijft, en dat is goed zo, zeker in dit verhaal. Het is nergens slap of zelfs ongeloofwaardig. Nooit had ik ook maar het minste wat mij tegen de borst stootte omdat het niet klopt, of omdat ik te hard moest denken dat Penelope droomt, en dat dingen in dromen nu eenmaal zo gaan. Dit boek heeft een prachtige sfeerschepping. Hier en daar zijn een paar gemakkelijkheidsoplossingetjes, zoals in de buidel van Quinten (draken hebben een buidel om waardevolle spullen in op te bergen), dat daar naast een springtouw een naaigarnituurtje in zit, net op het moment dat ze met z’n allen een plan moeten bedenken om ongezien de burcht in te geraken. Penelope gaat van Machalus, de drakenhuid die Quinten eerst helemaal van streek maakte bij het zien van zijn collega-draak, al is ie dan dood, je zou van minder schrikken.), een drakenkostuum maken, waar zij inkruipt, en dan kunnen ze met z’n allen een stuk opvoeren, om zo te proberen om de kinderen te redden. Hier mocht best nog een beetje tegenkanting bij. De verhaallijnen zijn goed op elkaar afgestemd, ze worden afgewisseld met de Penelope van elf, in haar droom, en de 101-jarige Penelope, die op HAAR beurt dan weer haar verhaal vertelt aan de dan elfjarige Penelope, de dochter van Micha, die droomt om een harp te bespelen. De 101-jarige Penelopes vader Govan was harpenbouwer, en ondanks het feit dat Penelope doof is, kan zij toch harpen bouwen. Je kunt zoveel meer met muziek dan hem alleen maar horen. Ze voelt de trillingen.
Maar goed. De twee (of drie?) Penelopes in het verhaal is op het laatst een ietwat verwarrend. Blijkt nog later in het verhaal, dat het eigenlijk de dochter van Micah is die aan het vertellen is, op sommige momenten, en zeker bij het slot van het verhaal, waarin blijkt dat de andere Penelope, die zoveel heeft meegemaakt, op het laatst met haar zwarte schaduw is gehuwd (ze is doodgegaan, maar dan veel mooier verteld, dmv een Schaduw die Penelope de laatste tijd gezelschap houdt, maar eerst wil zij haar harp aan Penelope overhandigen. Het is trouwens haar dierbaarste harp, die de naam van haar blinde vriend Allowee draagt.
Heerlijk boek.
Terug naar Hamelen / Bill Richardson ; Illustraties van Mark Janssen ; vertaald door Herman de Graef.- Hasselt ; Clavis, 2005.- Oorspronkelijke titel : After Hamelin.- 298p : ill.- ISBN 90-448-0377-8

vrijdag 18 januari 2008

Het mooiste kinderboek allertijden: bis

Toen moest ik bekennen dat ik schrok: hoe kon ik tussen zoveel moois nu één boek uit deze lijst kiezen? Ik geef het grif toe: enkele dagen geleden wist ik het niet. Nu ik mijn stem op "Misschien wisten zij alles" van Toon Tellegen en Mance Post heb uitgebracht, besef ik: volgens mij is dit ECHT wel het mooiste kinderboek allertijden. Dit boek is dik, het is één en al ontdekking, juist omdàt het zo dik is. Het raakt nooit uitgelezen, je komt altijd wel een verhaal tegen dat je nog niet kende. De dieren zijn evengroot, en ze leven samen. Maar zijn het misschien niet gewoon mensen, die trachten samen te leven?

woensdag 16 januari 2008

de derde reeks Confidenties is er!

Hoera hoera! Eindelijk nog eens iets om van harte in de boekenbijlage van "De Morgen" te lezen. Naast het interview met de Pakistaans-Engels-Nederlandse schrijfster Naema Tahir, die met "Eenzaam heden" een boek schreef over haar leven als "ontheemde" vrouw, zoals ze zegt. Al schrijft ze het boek niet in haar eigen naam, maar in de naam van Dina. Ze is nergens thuis, maar wil ook haar roots niet verloochenen. Lijkt me een boeiend boek te zullen worden.
Met de derde reeks "Confidenties aan een ezelsoor" begon de reeks publicaties in de krant, waarna (of ook wel: waarvan ondertussen ergens) het boek zal verschijnen. Dit keer gaan de confidenties de erotische toer op, en dat zul je geweten hebben. Toch had ik nooit het gevoel, althans bij de eerste, die vandaag is verschenen dat ik het té expleciet vond, en misschien is dat net de kracht van deze erotische fabels. Nooit had ik het gevoel dat ik teveel beelden die ik uit de tekst kon opmaken, te zien kreeg. Natuurlijk prikkelt het wel, maar het blijft goedgedoseerd moois, met een flinke vleug humor, die ook in de tekeningen van Klaas Verplancke zit. Waarbij de fantasie van de lezer zelf nog zijn werk kan doen.
Hoera! "Confidenties 3" is een feit!

vrijdag 11 januari 2008

Het mooiste kinderboek allertijden...

Help! Hoe kan ik nu tussen zoveel parels één boek kiezen? Lobel, Tellegen (Hoewel, als ik tussen Lobel en Tellegen zou kiezen zou ik helemaal achter mijn keuze voor Tellegen staan), DiCamillo, "Het oneindige verhaal" (is mij iets té oneindig, te lang, te...), Madelief bekoorde me niet, om maar een paar titels te noemen

woensdag 9 januari 2008

Ontplof! / Katharina Van Cauteren

Hendrik De Clerck heeft zijn ouders met bed en al, opgeblazen…
… Maar de tekst klopt NIET met de flaptekst die vertelt dat Elodie iemand “1, 2,3 … Ontplof!” heeft horen zeggen. In de tekst staat dat ze een luide knal hoorde. De personages zijn types. Ze worden niet uitgewerkt, maar dit past bij dit hilarische verhaal. Het is onzinnig, maar wat mij betreft niet echt belachelijk. Pa De Clerck is een moddervet kereltje, zijn ma is bokskampioene … Bij de mannen. De verteltoon heeft iets van een theatertekst. Maar het is wel nét lang genoeg. (110 pagina’s). Wanneer dit verhaal nog zou doorgaan, zou ik dit boek op de vuilnisbelt gooien. Maar nu dus niet. Er wordt overdreven, de personages zijn geen personages maar karikaturen, maar met al de elementen in dit boek (Hendrik heeft zijn ouders dus opgeblazen, maar wie moet nu de was en de plas doen? Wie zorgt er voor hem? – Ik neem een butler en zet “ouders” op mijn lijstje voor kerst!) Die butler maakt elke dag hamburgers en pizza’s voor hem.
Hendrik woont in een kast van een villa (hoe komt het dat het hele huis overeind bleef, toen hij het bed met zijn ouders er nog in, opblies?)
Hendrik heeft een overbuurmeisje, Elodie, die hem helemaal ziet zitten. Zij wil schrijfster worden, en haar eerste boek zal “Hendrik, een jonge misdadiger” gaan heten. Elodie heeft namelijk via haar computertje en een geheime pen, gehoord wat Hendrik deed. Elodies broer, Marius, studeert archeologie, en zit daarvoor in Papoea New Guinea, waar hij opgravingen doet naar de mythische stad Atlantis. Die stad ligt bij mijn weten onder zee… Daarin doe je geen opgravingen, denk ik, daar ga je op onderzoek. Soit. En dus woont Elodie samen met een moeder, Kristien, die er nogal vreemde kookkunsten op nahoudt, en voor de rest ook nogal een chaotisch type is. Haar broer is trouwens loom. Dat is alles wat je over de personages weet, en soms duurt het allemaal een ietsje te lang, het is iets als pureeaardappelen doorslikken. Niet veel aan. Het boek staat trouwens ook niet helemaal zonder fouten.
“Vooruit, Elodie, maak dat je als de wiedeweerga aan dat zwembad ligt” (Hendrik nodigde haar uit), “zodat je in zijn huis kunt gaan rondneuzen!” Hmm, ofwel ga je aan het zwembad liggen, ofwel verzin je een list om in dat huis te kunnen gaan rondkijken. De twee samen? Dat lukt nooit.
Om zich een houding te geven, reikte ze naar de zonnecrème. Elodie zat in een strandstoel in haar voortuin, die zonnecrème stond misschien onder haar stoel, maar toch. Waar komt die vandaan? (Wel goed het verhaal speelt in juli. Dat staat in het verhaal)
Taalgebruik is misschien een beetje “veel”, maar het past volgens mij wel in de “onzin” sfeer van dit boek. “Elodie stelde tot haar niet geringe trots vast dat ze niet bloosde.”
Het geesten oproepen is ronduit hilarisch. Je merkt dat geen van de twee (Elodie en Hendrik willen dit gaan doen bij Hendrik thuis) er echt in gelooft (later blijkt inderdaad dat Elodie de boel beduveld) “Sluit je ogen”. “En dan?” “De rest zul je wel zien”. “Hoe kan ik iets zien als mijn ogen dicht zijn.”, fluisterde Elodie nog. Het is best aandoenlijk wanneer je merkt dat Hendrik echt probeert contact te zoeken met zijn overleden moeder. Hij bekent dat hij haar mist. (Zijn ma hem niet, zegt het glas / Elodie.) Hij fakete, blijkt later, hoewel even later in de tekst ook voorkomt dat hij toch geloofde wat dat glas zei. (Wat is het nu?!) Hoewel Elodie dus de boel beduvelde, gelooft Hendrik wel dat zijn ma echt tot hem sprak, en zei dat zijn pa in reïncarnatie geloofde. Hij komt echter niet terug als mens, maar als muis (die inderdaad opduikt, en inderdaad op pa De Clerck lijkt: Kaal hoofdje en een dik lijfje). Pa De Clerck scharrelt rond in een kooitje, en leeft van pizza en brood. Hendrik is daar best tevreden mee.
Hendrik wil de moeder van Elodie en Marius ontvoeren, om terug een eigen ma te hebben, en doet dit ook. Nergens een spoor van angsten echter, ze gaan gewoon op onderzoek uit, en vinden Hendrik, zijn butler en zijn “nieuwe mama” uiteindelijk terug in een van de vakantiehuizen van Hendrik. Kristien is verliefd op James (elke butler heet James…), en zij gaan trouwen. Eind goed, al goed, hoewel uiteindelijk wel uitkomt dat Hendrik zijn ouders zelf heeft opgeblazen, en het dus geen ongeluk was. Hij moet naar de gevangenis. Het is daar geen viersterrenhotel, en iedereen behalve Elodie is hem vergeten.
Dit boek is knotsgek, maar zonder enige emotie. De personages zijn dat echter niet. Ze zijn types, hoewel ze wel een uiterlijk hebben (Elodie en Marius, en hun ma hebben roestbruine krullen en sproeten, pa De Clerck is klein, dik, en kaal, ma De Clerck (tja…)). Een boek boordevol humor, maar er lijkt mij niet gezocht te zijn naar toch maar zoveel mogelijk elementen
Ontplof! / Katharina Van Cauteren.- Sint- Niklaas: Abimo, 2005.- 110p.- ISBN 90 59321 98 7

donderdag 3 januari 2008

Cheffie bijt door / Kaat Vrancken ; Martijn van der Linden


Chef, Puf en Boogie, drie teckels, moeten naar een hondenhotel. Boogie vindt het spannend, Puf is bezorgd om Kippetje, zijn knuffel, en Chef, die vindt het maar niets. Hij is de oudste, de baas. In het hondenhotel kan hij de baas niet spelen. Daar is Sheba, de eigen hond van hondenvrouw, de baas, ook over alle andere honden in het hotel. Over Rambo, een Dobermann die naar vechten ruikt, en laat zien dat hij groter is en sterker dan Cheffie!
Heerlijk verhaal, dat zich situeert in wat de denkwereld van de hond zou kunnen zijn, en wat de karaktertrekken (eigenwijs) van een teckel in het bijzonder zouden kunnen zijn. Waarom de honden naar een hondenhotel gaan, ver weg van Emma, die blind is, en Herder, haar hond die haar “helpt zien”, en mama, is niet duidelijk, en dat had ik wel fijn gevonden. Het verhaal gaat echt in op het denken van de hond en zijn “zijn”, zonder dat de mensen daarin veel te zeggen hebben, en dat is mij een iets te eenzijdig standpunt. Je krijgt het leven van een paar verschillende honden in een hotel voor honden, en hoe ze met elkaar zijn, en hoe ze elkaar kunnen luchten of ook helemaal niet, en wat er in dat laatste geval gebeurt. (Koud water om vechtende grote Dobermann Rambo van kleine teckel Chef af te halen) Honden krijgen hier de rol toebedeeld zoals het een “dier” hoort te blijven, en dat is wel heel erg sterk. Ze praten met elkaar, maar dat enkel op een manier zoals het een hond zou overkomen, of hoe de dingen op een hond afkomen. (Waarom gaat Emma weg, komt ze nog terug? Wat doen we hier?) Wanneer Chef gebeten werd door Rambo wil hij een tijd niet eten, en hij voelt zich beroerd, maar dat laat hij niet merken, teckels zijn geen watjes! Rambo blijft ook echt een grote sterke hond, die zijn positie wil bepalen tov Chef en Sheba, de teef in het gezelschap. Maar Chef wilde indruk maken! En dat liep fout. De dierenarts kwam de bijtwond hechten. Chef krijgt een teek, die gemeen steekt in zijn oor, terwijl er in Chefs kop allerlei gedachten malen over hoe en waarom van het hotel. Hondenvrouw is aardig, maar haar man, zweetman, niet. Hij heeft Chef in het water gegooid terwijl de hechtingen niet nat mochten worden. “Chef hoopt dat Hondenvrouw Zweetman straks zal bijten, hij is niet aardig!) Ook komen dialogen voor tussen de honden, behalve met Rambo, die de macho is. Het enige wat hij wil, is vechten. Of toch niet? Ook hij heeft blijkbaar last van een teek… Sheba danst met haar baasje. Persoonlijk vind ik haar de meest “vermenselijkte hond” van het hele gezelschap, en bij de andere portretten die van de honden gemaakt worden, komt ze me voor als niet passend. Maar dit terzijde. De tekeningen zijn tekeningen van echte honden zoals ze eruitzien. Heel erg knap, ze lijken getekende foto’s.
Wanneer Emma en haar moeder opduiken horen Chef en de andere teckels een bekende motor draaien, en stuiven ze naar het hek: “Emma”! Dan gaan ze huiswaarts, en proberen ze daar terug hun plekje te vinden. Ze kauwen op sokken, wroeten in wasgoed, net als vroeger. Hopelijk mag Chef toch een tijdje blijven, nu…Cheffie bijt door / Kaat Vrancken ; illustraties Martijn van der Linden.- Amsterdam : Querido, 2006.- 88p.: ill.- ISBN: 90 451 0346 X

woensdag 2 januari 2008

Honden niet toegelaten / Roger Van Hoeck

Freek, de opa van Lars en zijn zus Liesje, doet erg vreemd. Hij loopt overdag rond in zijn piama, en slaat zijn spiegel stuk omdat hij denkt dat er een indringer in huis is. Dit wordt nog erger, zodat hij naar een bejaardentehuis moet verhuizen, maar Brak, zijn hond, mag daar niet mee komen wonen…
Heel warm boek over een opa die heel snel zwaar dement wordt, en doodgaat. Alleen jammer van de titel, en van wat de achterflap vertelt. Freek weet helemaal niets van zijn hond, wanneer hij naar het bejaardentehuis vertrekt. Zijn hond zou een jongetje hebben gebeten, en dus hebben ze Brak in het asiel gedropt. (Later zegt de postbode die het heeft zien gebeuren, en niets van honden moet weten, dat hij zich vergiste en dat het een andere hond is die Mats gebeten heeft. Het was Brak dus niet. Mats wil graag een hond, en wanneer een nieuwe baas moet gezocht worden voor Brak, mag die misschien bij Mats wonen) Later in het verhaal komt wel voor dat Brak, wanneer Lars en zijn vrienden hem vinden, niet zal binnenmogen in het tehuis, dat is “niet toegelaten”. Maar dus niet op de manier zoals op de achterflap staat.
Dit is een zeer waardevol boek, met uitstekend uitgewerkte personages, ze huilen, maar ze lachen ook samen. Opa is heel aanwezig in het verhaal, en de familie maakt zich zorgen om hem. Je merkt als lezer goed dat er met opa iets mis is, wanneer hij bijvoorbeeld met zijn hond, op het strand op een stuk wrakhout zit in zijn piama. Wanneer de storm opsteekt, denkt Freek dat het de stormfluit van de boot is, waar hij vroeger op werkte. In werkelijkheid is het zijn hond die weg wil van het onweer. Toch is dit ook een onlogisch iets. Een hond is toch (gewoonlijk) bang voor onweer? “Waneer het onweer opsteekt, zit Freek aan de rand van het strand op een stuk wrakhout. Dromend tuurt hij in de verte. Brak droomt naast hem mee. Waaruit ik opmaak dat hij slaapt. Twee pagina’s verder wipt de hond geschrokken overeind omdat het begint te bliksemen. En omdat de donder volgt. “Voor onweer is hij als de dood.” Maar het onweer was toch al eerder opgestoken? Of wanneer hij zijn kleinzoon Lars Tsjengo gaat noemen, een scheepsjongen die hij heel vroeger heeft gered van de verdrinkingsdood. Wanneer Freek op het dak van zijn duiventil in de tuin gaat staan en eraf springt omdat hij denkt dat hij kan vliegen, is de maat vol. Brak is intussen naar het asiel gebracht, maar hij ontsnapt. Lars snapt er niets van, en gaat naar Brak op zoek. Wanneer Brak gevonden wordt, gaan ze samen de laatste keer bij opa langs, die wanneer hij zijn hond ziet, daarna sterft. Niets op aan te merken. Heel goed gedoseert, met de nodige humor, maar met toch het zware thema van een familielid die je letterlijk kunt zien sterven, al gaat het toch nog langzaam. Je bemerkt de aftakeling van een oude man. Een man met kinderen, schoonkinderen, en kleinkinderen. Zij vormen een gezin, waar je merkt dat er respect is voor elkaar, met de nodige dicipline.
Is het logisch dat het in de lente (ergens in het boek is sprake van een warme lente-avond, verder niet echt seizoensaanduiding aanwezig) al “zwoel weer” is? “Het zweet loopt van zijn lijf door de hitte”. Ergens in het verhaal is er sprake van acht uur ’s avonds, en dat het bijna donker is. Hoe laat blijft het licht?
Honden niet toegelaten / Roger Van Hoeck.- Sint-Niklaas : Abimo, 2005.- 96p.- ISBN 90-59322-49-5

dinsdag 1 januari 2008

Het kistje van Cleo / Hilde Vandermeeren ; Harmen van Straaten

Cleo heeft het thuis niet zo makkelijk. Ze leeft samen met haar moeder en twee zusjes in een appartement in een sociale woonwijk, waar de problemen nooit veraf zijn. Ze heeft een geheim. In een kistje onder haar bed. Als daar nog een geheim bij komt, krijgt ze het moeilijk… En ze heeft haar papa beloofd om Iemand te zullen worden…
Mooi verhaal. Correcte zinnen en zinsbouw. “Als spinnetjes met fluelen poten kruipen mijn handen naar binnen.”. Dat is al een hele mooie zin, en door het vertelperspectief in de ik-vorm te zetten, vergroot je de betrokkenheid bij de personages bij de lezer. Goeie karakter-uitdiepingen. De verteltoon is rustig, zonder dramatiek over het toch wel zware thema. Het boek profileert zich duidelijk als probleemboek, en misschien is dat een minpunt, maar dat hoeft niet persé zo te zijn. De personages zijn nooit zielig, en ze staan er, elk met hun eigen karakter en onhebbelijkheden. Ze zijn zeker ook niet op hun mondje gevallen. Cleo’s vader is overleden, en dat kom je ook te weten. Je komt als lezer ook te weten dat de moeder van Cleo is opgegroeid in een tehuis. “De appel valt niet ver van de boom” is misschien van toepassing, want nadat zusje Ellie in een winkel een pluchen hond stal (“hij kwam vanzelf in mijn zak gesprongen!”), vindt Cleo zichzelf een dief, en is ze bang dat ook zij samen met haar zusje in een tehuis zal belanden.
Dat het gezin in een probleembuurt woont, komt uitvoerig aan bod, en de stijl blijft daardoor een ietsje donker, en een beetje uitzichtloos.
Taalgebruik is correct, en er worden mooie dingen gezegd. Over grafittimuren bijvoorbeeld: “…” het dametje zet een tas neer en haalt er een grote lap en een spuitbus met poetsmiddel (uit?)-> dit lijkt een drukfout. “Als je lang genoeg kijkt, zitten er wel mooie dingen tussen. Letters die leven. Verwrongen gezichten die kijken alsof ze pijn hebben. Vreemde woorden.” Hoofdstuk zes begint met een mooie omschrijving van een bliksemflits: “Tegen de zwarte achtergrond bouwt een gevaarlijke helwitte boom met fijne vertakkingen zich op.” Enkele tellen later kraakt het over over het hele gebouw. “Ga bij dat raam weg, naar de bliksem kijken brengt ongeluk.”
Wat zijn “De kantjes van een brood”? (Het enige voordeel aan brood gaan kopen is dat de achterste kantjes voor jou zijn”).
Meer leuke woordspelingen en omschrijvingen: de zus van mama (Tante van Ellie, Cleo en Beverly) heet Jessica, en zij heeft een baby (die ook nog komt aankloppen nadat ze bij haar vriend wegging, kluwen van problemen), Joyce, die omschreven wordt als de fopspeenmummie. Grappige vondst, en die kleine elementen zorgen in dit problematische verhaal voor humor. En begrip. Dat ook.
Het kistje van Cleo / Hilde Vandermeeren ; Harmen van Straaten.- Leuven : Davidsfonds/infodok, 2005.- 96p.: ill.- 90-5908-130-7