vrijdag 29 februari 2008

Jot / Klaas Verplancke

Jot beweegt niet. Daar heeft hij geen tijd voor. Hij denkt na. Al een hele tijd. Hij wil graag iets uitvinden, iets nieuws. Iets moois. Hij zou blaadjes, takjes en papier kunnen maken, maar dat is niet nieuw, dat doen bomen al. Jot heeft geen takken die uit zijn huid groeien. Wat hij wil maken moet iets nieuws zijn, iets dat nog niet bestaat. Stagistische aureolen, of pappelende moestafa’s. Rechtsdraaiende pienekieken, een telegeleide omeletschotel, een grasvretende koeienvlaaienschepper, de gekste dingen passeren de revue. Maar Jot kan niets bedenken, niets waarvan de mensen niet zeggen: dat kan ik ook. Tijdens het denken, begint Jot zich een beetje te vervelen, en hij bedenkt: “ik word een schepper!” Er komt een toren helemaal tot aan de maan. Daar zit Jot, te kijken en te wuiven naar de mensen beneden. Maar niemand ziet hem, hij zit veel te hoog. Maar dan…. Begint hij verveeld aan de sterren te plukken. Hij zit avond na dag na avond na dag te plukken, tot hij beslist om naar beneden te komen, tree voor tree. En plots hoort hij alleen maar aah, en ooh! Wat de mensen zien, beneden, vinden ze nu WEL heel erg mooi. Jot fluistert nu heel zacht zijn eigen naam, trots op zichzelf: “Jee oo t”. Hij gaat de volgende dag in het gras liggen, om te luisteren naar de wind die in boomkruinen zingt…Heel erg mooi boek, dat toevalligheid een grote rol laat spelen, dat je laat zien dat de beste dingen in het leven slechts per toeval op je af komen. Qua vormgeving geeft de tekst evengoed als de tekeningen, een meerwaarde. Wanneer Jot de ijsbolletjesmachine wil uitvinden, merk je dit aan de tekst: de pagina is blauw, met donkere en lichte letters, waarbij de lichte letters het smelten van ijs weergeven. Of wanneer Jot als een kip op een stokje in een klein hokje gaat zitten, staan de letters en de weergegeven zin “zodichtopelkaardatergeenplaatsmeeris” (…) Een boek dat helemaal af is: zowel in de prenten (Jot is een heel mooi kereltje), als in de tekst, waar niets aan het toeval werd overgelaten. Wanneer het in het verhaal donker wordt, wordt de tekst in witte letters op een zwarte achtergrond geplaatst, en bij mist heb je een grijsachtige pagina met lichtgrijze letters. Je kunt nog net door de wolken, waarvan sprake in het verhaal van Jot, heen lezen, maar je kunt je wel inleven in hoe Jot zich voelt wanneer hij in de wolken zit, als het bewolkt is daar op zijn toren.
Jot / Klaas Verplancke.- Leuven : Davidsfonds/Infodok, 2000.- 56p.: ill.- ISBN 90 6565 964 1

woensdag 27 februari 2008

Kleine Sofie en Lange Wapper / Els Pelgrom ; Thé Tjong-Khing

Sofie, een ernstig ziek meisje weet dat ze gauw zal doodgaan. Toch wil ze weten wat er in de wereld te koop is, nog voor ze sterft. En ze wil ook weten wat er daarna komt…

Ik wist enkel dat dit een heel oud boek is. Heb verder nog nooit wat van Pelgrom gelezen. Ik wilde wel afhaken. Vond het echt niet goed. Maar tegelijk wilde ik voor mezelf uitmaken WAAROM ik het dan wel niet goed vond.
Pelgrom’s schrijfstijl is duidelijk, helder geformuleerd, maar toch merk je echt dat het hier om een oud boek gaat, dat de auteur kinderen echt nog dingen wil bijbrengen.
Een meisje dat bijna doodgaat, en toch wil weten wat er allemaal in de wereld te koop is, het is merkwaardig. En toch ook niet. Tuurlijk wil ze dat weten. Dat haar knuffels en haar kat Terror haar dat willen tonen door middel van een poppenkastvoorstelling dat vond ik dan weer niet erg goed. Voor een boek. Op toneelplanken? Graag! Maar ik vond het maar niets dat haar knuffels dan maar "tot leven komen" Ze blijken ook familie te hebben, en verworden daardoor tot echte mensen, en dat stak me tegen.
Dit boek behandeld het thema “Dood”, en probeert dit op een een beetje vrolijke manier aan de lezer uit te leggen. Alleen jammer dat Sofie op het einde zo bruusk doodgaat. Het stuk dat werd opgevoerd door haar knuffels, is afgelopen, je hoort een bonk, en Sofie ligt op de vloer. Een bladzijde later zitten haar ouders huilend aan haar bed. Sofie is dood.
Ik ken andere titels van Els Pelgrom, maar na het lezen van “Kleine Sofie en Lange Wapper”, ben ik niet geneigd die te gaan lezen.
Gelukkig maakte The Tjong- King wel werk van fijne illustraties, die vond ik wel heel mooi, ook voor een boek dat bijna een kwarteeuw oud is.
Kleine Sofie en Lange Wapper Els Pelgrom en Thé Tjong-Khing.- Amsterdam : Querido, 1984.- 87p.: ill.- 90 214 7953 2

zaterdag 23 februari 2008

De buitensporige lotgevallen van Edgar Mint

Een jongetje wordt als hij heel erg klein is, overreden door de postauto. Hierna volgen 400 heerlijke pagina’s over hoe het dat jongetje vergaat in zijn leven. Met zijn typmachine, die zijn trouwe vriend wordt doorheen het leven, probeert hij de postbode, die ooit over zijn hoofd heenreed, terug te vinden.
Ik had nog nooit van de schrijver gehoord, en ik ben dus ook helemaal blanco aan dit boek begonnen destijds voor de weblog Boeken en Co. Vond helemaal in het begin dat het erop leek dat de bladen in dit boek wel erg groot waren, en het lezen vlotte niet zo. Maar ik ben heel erg blij dat ik dit boek gelezen heb. Het is een prachtig verhaal, het is goed geschreven, en eigenlijk, omdat het over een jongetje gaat dat een zwaar ongeval krijgt, is het helemaal niet zielig. Het is af.
De personages zijn allemaal prachtig neergezet, met de nodige slechte karaktertrekken, en vooral bij Edgar merk je dat hij eigenlijk best een lief gozertje is, die zijn plek zoekt.
Udall beschikt over een vlotte pen, in alle opzichten, en tegenover elk personage dat van belang is.
Het boek heeft een geweldig eind, echt prachtig. Lezers worden in de zooi genomen, als ik het zo mag uitdrukken, en dat is helemaal niet negatief bedoeld. Heerlijk!
Ik had nog nooit van Udall gehoord, maar heb in de catalogus van de bieb gezien dat Udall nog een boek heeft geschreven. Als ik het me goed herinner heet dat boek: “Laat de honden los” en zou het gaan om korte verhalen. Ik wil het gauw een keer lezen.
Ik had misschien voor een stukje de geschiedenis van “De apachen” – de stam waartoe Edgar blijkbaar behoort, wel in dit boek willen zien. Nu worden ze wel goed omschreven in wat ze zijn en wat ze doen, en dat ze in een reservaat leven, maar WAAROM en HOE kwamen ze daartoe? Wat is, of was, het lot van deze mensen dan wel?
De Buitensporige lotgevallen van Edgar Mint” – Brady Udall.- Amsterdam : Arena, 2003.- 416p.- oorspr titel: The miracle life of Edgar Mint.- ISBN 906974516X

zondag 17 februari 2008

Robbe en de Himbamaan / Wouter Ninclaus ; Hanne Ninclaus

Robbe is een dromerige jongen in een gezin met drie kinderen. Hij heeft nog een oudere broer en zus, en alledrie zijn ze redelijk verschillend, met hier en daar een raakpunt. Robbe is gefascineerd door de natuur, en houdt niet van oppervlakkigheid. Een documentaire over “De Himba”, een stam in Namibië, laat hem helemaal wegdromen…

Knap boek, in veel opzichten. Robbe is een fijn uitgewerkt jongetje, dat weinig interesse heeft voor wat er op school verteld wordt, maar hij wordt daarom nooit flauw of baldadig neergezet. Zijn interesseveld ligt gewoon op het vlak van natuur Zijn broer Wannes is soms ook wel geïnteresseerd in waar Robbe op televisie naar kijkt, met name natuurdocumentaires, die Robbe ongemeen boeien. Daar leert hij veel meer uit, vindt hij, dan wat hij op school moet leren. Het is niet zo duidelijk wanneer Robbe aan het dromen gaat na de documentaire op tv, maar plots zijn we samen met hem, en een meisje (Kanavi) bij een Himbastam in Namibië aanbelandt. Toch komt dit niet over als een gat in het scenario, en dat is mooi. Denkelijk valt Robbe na de documentaire gewoon in slaap wanneer hij naar bed gaat. Wat volgt is wat je zou kunnen noemen een lesje in cultuurverschillen. Waarom zou je bij de Himba water koken omdat het recht uit de waterput komt? (Om ziektekiemen te verwijderen). Moeten jullie in België geen water halen? (Het komt gewoon uit de kraan). Bij de Himba, berekent Robbe, moet Kanavi vijftig emmers water putten voor één douche die hij neemt. Het boek is een verhaal, maar wil tevens ook aandacht vestigen op de problematiek in het Zuiden, en de kloof die ontstaat, of is. Ook de verschillen tussen twee culturen komen aan bod. Dit is soms een beetje ongeloofwaardig, Robbe vindt het bij de Himba in eerste instantie helemaal niet vreemd, blijkbaar, hij schrikt niet, wanneer hij Kanavi ziet, en gaat direct vragen stellen. Maar misschien is dit eigen aan het kind dat hij is. Je merkt in alles dat Robbe veel opstak, en dat hij een kind is. Zijn ouders weten dat er toch niet echt wat tegen gedaan kan worden, tegen de armoede, en tegen zijn vader en zijn principes, gaat Robbe het liefst niet teveel in. Wannes zegt tegen zijn vader dat diens gedachten al twintig jaar in rondjes draaien, en dat hij het lef niet heeft om zijn mening te herzien. Toch voelt dit boek nooit zwaar aan. Er is wel eens wat onenigheid, maar het wordt nooit een probleemboek. De tekeningen annex foto’s zijn prachtig. Je krijgt foto’s van landschappen in Namibië te zien, met daarbij een tekeningetje van wie Robbe is, een jongetje met zwarte krullen, een rood t-shirt en groene lange broek, uit het Westen. Dit boek verschilt in alles van andere boeken, zonder dat dit boek pure non-fictie is. Er zit een goed verhaal rond de thematiek waarop wil gewezen worden.
Robbe en de Himbamaan / Wouter Ninclaus ; illustraties van Hanne Ninclaus.- Wielsbeke : De Eenhoorn, 2006.- 52 p. : ill. – ISBN 90 5838 360 1

vrijdag 15 februari 2008

Mijnheertje Kokhals heeft een vriendje / Bart Meuleman ; Paul Verrept


Op een warme dag is Mijnheertje Kokhals op stap. Andere mensen gaan naar het Zuiden, maar dat vindt Mijnheertje Kokhals te ver, je bent er zo ver van huis. De auto’s op de weg zijn opweg naar Italië, vertelt de wegwijzer op de bijhorende prent. Plotseling stopt er een autoo’tje, er gaat een deurtje open, en er rolt iets naar buiten…
Ook in dit boek: de tekeningen zijn een belangrijke meerwaarde voor het verhaal. Al gaan ze in dit verhaal wel meer een begeleidende rol spelen. Toch versterken ze de tekst ook. Dit “Er rolt iets naar buiten”, is een hondje dat van een gelaarsde voet in de auto een trap naar buiten krijgt. Mijnheertje Kokhals heeft dit niet gezien. Hij wandelt verder, hij loopt naar links, dan weer een bocht naar rechts (begeleidende tekening.) Toch lijkt het alsof iets hem volgt. Vanachter een boom, waar mijnheertje Kokhals staat, kan hij een hondje zien. Dat heeft iets aan zijn pootje. (Het bloedt, en het hondje huilt… (Help!)) – Dit gegeven wordt echter alleen duidelijk gemaakt aan de prenten. Mijnheertje Kokhals en het hondje worden beste maatjes. Wat daarna volgt, is nonsens. Ze gaan samen een ijsje eten (ze hebben zin in iets lekkers, vertelt de tekst), waarbij je op de prent kunt zien dat mijnheertje Kokhals en een lachend hondje vrolijk van twee ijsjes likken. Daarna krijgen ze zin om eens goed te lachen. Op de bijhorende prent: een kamer vol mensen in een kring, mijnheertje Kokhals achter een muur, zodat hij toch de boel kan overzien, en het hondje dat een plas maakt tegen de benen van een van de aanwezigen. Dat is dan weer wel echt honds. Verder gaan onze twee vriendjes ’s nachts niet naar bed, ze gaan dansen! (Prent: hond danst ook, op twee achterpoten nog wel, en hij lacht) Ze zijn altijd samen en ze hebben het goed. Maar dan komt de auto waaruit het hondje is getrapt, weer aangereden. Het hondje is blij, en gaat met zijn baasjes mee. Mijnheertje Kokhals is weer alleen. “Die dingen gebeuren”, vindt hij. Ik vond de rol van de hond een ietsje teveel vermenselijkt om geloofwaardig te blijven. Waarom kan mijnheertje Kokhals geen jongetje te logeren krijgen, ik zeg maar wat? Honden eten geen ijsjes zoals mensen dat doen, en gaan ook niet dansen tot in de vroege uurtjes. Samen naar de film en daar naar kijken zoals mensen dat doen? Met je pootje om de schouders gelegd van je baasje? Ik zie het zo snel niet gebeuren. Maar als geheel, de aansluiting van tekst en beeld, zijn ook hier weer fenomenaal goed.
Mijnheertje Kokhals heeft een vriendje / Bart Meuleman ; illustraties Paul Verrept.- Wielsbeke : De Eenhoorn, 2006.- 40p.: ill.- ISBN 90 5838 350 4

woensdag 6 februari 2008

De twaalfde man / Hilde Vandermeeren ; Marjolein Pottie

Marco voetbalt. Marco voetbalt graag. Papa zou willen dat hij ECHT goed wordt, dat hij goed zijn beide benen kan gebruiken, en dat hij veel doelpunten maakt. Marco wil echter alleen maar plezier in het voetballen, en hij is zelfs een beetje bang wanneer papa elke keer mee gaat kijken naar het voetballen, en hem allerlei dingen toeschreeuwt. Zoals dat hij naar links of naar rechts moet. Maar hoe weet je dat altijd? Wat links is en wat rechts?

Dit is echt een heel waardevol boek, met echt een goed verhaal, waarin zowel op de tekst als op de tekeningen niks aan te merken is. Het is wel sterk mannelijk/vrouwelijk gericht, want pa wil dat zoonlief presteert. Hij wil hem echt “naar de top”, terwijl Marco alleen maar lol vindt in het voetbal. Dat wordt ook duidelijk in het verhaal gesteld, terwijl mama alleen maar wil dat haar zoon plezier heeft in hetgeen hij doet. Je merkt dat Marco een warme thuis heeft, en dat zowel ma als pa alleen het beste willen voor hun zoon, al vullen ze dat allebei anders in. Je merkt hier ook echt, en dat is sterk, dat Marco gevoelens heeft, en die komen duidelijk naar voor, zowel in de tekst als in de tekeningen. Hij wil wel voetballen, maar hij wil ook praten met mama en papa over hetgeen hem dwarszit (o.a dat hij niet goed weet wat links is en wat rechts). Papa wil hem dat wel leren, maar Marco is blij dat mama dat idee maar niks vindt, nadat Marco gezegd heeft “dat er een voetbal op zijn maag ligt” omdat papa iets anders van hem verwacht dan mama. Maar het is echt goed in dit boek, dat er echt met elkaar in dialoog kan worden getreden, en dat de mening van hun zoon er echt wel toe doet. Ook de tekeningen zijn heel duidelijk, ze laten ook duidelijk zien wat Marco voelt.
Het taalgebruik in dit boek is ook echt om van te snoepen, al is het maar omdat het boek in de “ik” (Marco vertelt)vorm is geschreven, en het mede op die manier een echt “betrokken” verhaal vormt.De Twaalfde man / Hilde Vandermeeren ; met illustraties van Marjolein Pottie.- Wielsbeke : De Eenhoorn, 2004

zaterdag 2 februari 2008

Saar en de koe / Riet Wille ; Annemie Berebrouckx


Saar heeft naast het huis waar ze samen met haar pa Jan woont, twee buren. De ene is buur Tuur (Dat rijmt) en hij is een boer. De andere buur is ook een boer, en hij heet Koen. Dat rijmt niet. Buur boer Koen heeft een koe, en hij is helemaal niet goed voor haar. Wanneer het koud wordt, laat hij zijn koe Nel zomaar in de wei achter. Saar houdt van koe Nel, al weet ze zelf niet goed waarom dat zo is. Wat kan ze doen om koe Nel te redden? Koe Nel wordt immers ziek van het lange buiten blijven!
Het verhaal hoeft geen non-fictie te zijn over een “redt de koe” actie, en dus is het een vrij geloofwaardig verhaal. Saar wil koe Nel redden, of haar tenminste een plek geven waar het wat warmer is in de winter. Saar geeft koe Nel haar sjaal. Ze gaat naar boer Koen toe, en ze zegt hem dat hij niet goed is voor zijn dieren. (Dat is overigens erg dapper van zo’n klein meisje!). Maar boer Koen zegt dat hij met zijn dieren doet wat hij wil. Dat vindt Saar helemaal niet goed van hem, en ze holt naar Jan, waar ze zegt dat boer Koen boos is op haar, en dat hij haar een trap en een mep op haar kop gaf. (Maar dat liegt ze, zegt ze zelf -> mooi zo! Eindelijk tussen alle andere eerste lezersboekjes waarin mensen voorkomen, een beetje meisje met haar op haar tanden, je merkt dat Saar persoonlijkheid heeft!). Jan besluit dat dit echt niet kan, en hij belt boer Koen op. Zegt dat hij Saar vooral met rust moet laten, en hij laat zijn dochter ook beloven om één week niet naar boer Koen te gaan. Dat vindt Saar wel ok, al is ze wel bezorgd om koe Nel (Best aandoenlijk, dat Saar zo met die koe begaan is). Wanneer ze na een week teruggaat, is koe Nel echt ziek, en besluiten Jan en Saar dat het zo echt niet langer kan. Het plannetje om koe Nel mee naar de schuur te nemen is best ok. Het hoeft geen non-fictie te zijn ; en jezelf gaan afvragen of dat zomaar kan, om een koe bij een boer weg te halen omdat je vindt dat ze slecht behandeld wordt, ik kan er best mee leven, zonder me daar vragen bij te stellen, omdat het een geloofwaardig verhaal is, over een meisje dat met een koe begaan is. Het geven van een bad (je ziet dat ook op de desbetreffende tekening: badkuip, zeep en washand), letterlijk “Koe Nel een bad geven” is al veel minder geloofwaardig (het is mij een raadsel hoe je een koe in een badkuip zet, en waarom zou je een washand gebruiken, maar goed, het stoorde ook niet echt.) is al veel minder geloofwaardig. Omdat de koe al in tijden niet meer goed gegeten heeft, weten Jan en Saar dat koe Nel niet te veel mag eten, en wonder: nadat ze dat tegen haar zeiden, stopt de koe met eten! Waarom merk ik dat het verhaal, dat goed is voor de rest, aan het einde zo de mist in gaat, en slaat de fantasie echt op hol? Later in de schuur vindt Saar ook dat koe Nel niet meer “beu” mag zeggen (dat doen koeien nu eenmaal), en leert ze haar om “bie” te zeggen. En dat lukt! Jan en Saar zijn daar blij mee, dat kun je zien op de desbetreffende tekening. Ik niet. Het hele verhaal van de “reddingsactie Koe Nel” wordt onderuitgehaald hierdoor. Echt driewerf helaas. En helemaal aan het eind, gaat Koe Nel zelfs zingen. Dat is eerder iets wat ik met “muzikale Bella” uit de Jommekes-reeks herken. En dat wil ik nu net niet. Helemaal niet. Nog? Hoe vul je als auteur 32 bladzijden? Met aan het einde een dubbele pagina waar op staat: “Dit boek is uit”. 32 pagina’s gevuld. Zo jammer. Omdat het eerste deel van het boekje zo goed loopt, en nergens fout zit, is de desillusie des te groter wanneer blijkt dat er zo’n idiote dingen aan worden gebreid om toch maar een boek te vullen. Te vullen. Dat is hetgeen ik bij dit boekje heb. Jammer. Maar ook hier: fijne woordspelletjes, (rebusjes waarin de naam van koe Nel moet gevonden worden) een telefoongesprek naar boer Koen met tekstballon, Saar die door haar vader (kruis aan: lief, boos, gek, naar, dom, leuk, raar, lui, wijs) gevonden wordt. Ook: Jan zegt iets in het oor van Saar. Op de pagina: een paar oren, en een wegwijzertje waar op staat: lees maar gauw door, de wegwijzer wijst naar de volgende pagina, want Saar gaat je niet vertellen wat Jan haar vertelde, dat moet je zelf lezen. Wanneer ze ’s avonds op pad gaan om Koe Nel naar de schuur te brengen, staat er: “Het is al heel laat, het is al tien uur, en ik ben nog op”. Saar heeft haar jas aan, en de klokken op de prent, geven – hoera! de juiste tijd aan. Op een volgende prent: “Waar zijn Saar en Jan”? Die je dan op de prent mag zoeken. Heel fijn om je gedachten bij het boekje te houden, veel afwisseling.
Saar en de koe / Riet Wille.- Wielsbeke : De eenhoorn, 2004.