dinsdag, maart 24, 2009

Chocolade en limoen / Lieve Pultau

Tella, een kakkerlak, staat voor de uitdaging van haar leven: een schoonheidswedstrijd! “De Miss Afval-verkiezing.” Maar of zij daar een figuurtje voor heeft? Soms voelt ze zich eerder een Miss Lukt of een Miss Baksel…
Wat volgt is een grappig maar nooit onnozel belachelijk verhaal. De auteur kruipt om het zo te zeggen in het lijf van een kakkerlak, terwijl ze tegelijk een schoonheidswedstrijd voor mensen beschrijft. De kakkerlakken zijn vermenselijkt, maar ze blijven wel kakkerlakken, met alles wat zij op hun weg zouden kunnen tegenkomen bij de Giganten (mensen). (Welk vies huis heeft hier model gestaan? Het krioelt van de kakkerlakken!) Maar goed, dat doet er niet toe. Nergens gaat de auteur in de fout: dit is een avontuur van en met kakkerlakken! En dat blijft zo. Tella woont bijvoorbeeld in de suikerpot. Wanneer ze niet oplet, en in slaap valt tijdens het roken van een sigaret, carameliseert de suiker en gaat het plakken. Of je verzuipt. Dus moet je uitkijken. De schoonheidswedstrijd wordt gehouden in een botervloot, en de tribune is een theedoos, die ook als dusdanig allebei beschreven worden. Heerlijk! Het zwembad? Het bakje voor de poes, waarin zich melk bevindt. Ook in dit boek: de beschrijving van hoe het er in een “menselijke missverkiezing” kan aan toe gaan. De setting van het verhaal? De suikerpot, de ijskast, zijnde “een woonplaats in de zoete wijk” of een plek die vrij is in het “koude dorp”. Rondjes lopen om te trainen? Dat gebeurt op het pizzabord, zijnde een groot bord bij de giganten, waarbij je als je goed wilt lopen, in een redelijke tijd van de P. naar de A moet kunnen lopen.
De menselijke dingen worden echter nooit bij hun naam genoemd, afgezien van een theedoos en een suikerpot. Tella verdrinkt ooit bijna in een bak, nadat ze in het “koude dorp” ooit de sla voelde bewegen en de stengels een voor een hoorde kraken. Dat ze in de afvoer wordt gezogen, krijg je er gratis bij, al moet je hiervoor wel je verbeelding gebruiken. (Tella maakt zich klaar om haar looptraining te starten) (…- Alles beweegt. (…) Alles staat stil. In de verte klinkt het gekraak van afknappende bladstengels. Snel en ritmisch. Groen licht dringt door de bladeren. Het wordt steeds feller. Het kraken zit nu vlak onder haar. Tella klampt zich vast aan een bladnerf. Geen tel later slingert het blad door de lucht. Het sleurt Tella mee. (…) Ze pletst (jammer van dit woord, de rest loopt zo goed.) op haar rug in het water, het blad bovenop haar. Van de schok laat ze los en gaat kopje onder. Ze spartelt naar boven. In de grote luchtbel onder het blad hapt ze naar adem. (…) Kalm blijven, denkt ze. Rustig ademen. Ik moet iets bedenken om uit deze bak te komen. Maar daar krijgt Tella de tijd niet voor. Het water begint hevig te golven. Het klotst heen en weer en sleurt haar mee. Ze wordt tegen een metalen muur gekwakt, verdwijnt onder water en komt proestend weer boven. Tijd om naar adem te happen krijgt ze niet. Iets duwt haar in een werveling van luchtbellen opnieuw naar beneden. (hoofstuk 11, 12, 13p. 29, 30, 31) Het is geweldig, om alles zo uitvergroot te zien, door de ogen van hoe een kakkerlak het moet zien. Tella wordt verliefd, op Leno, en dat is mooi, zonder melig te worden, of zonder dat je dat van kilometers ziet aankomen. Ze wordt, omdat ze dik is, gepest door Perrie, die iets heeft met de knappe Jenta. Maar Tella is geen doetje, en ze heeft lef. Wat wel duidelijk is voor de lezer, misschien, is dat daarom niet voor Tella. Dat is verrassend: Tella, de slome, het Miss Baksel, ze gelooft nooit dat ze de missverkiezing zal winnen, en toch is dat zo. Tella kan dat amper geloven, en zelfs op het allerlaatst, gelooft ze het zelf. Daarom is dit een happy verhaal waar je vrolijk van wordt, zonder dat het oppervlakkig is. Gevoelens worden goed beschreven, er niet bijhoren, en toch doorzetten, mensen die in je geloven… Mooi! De tekeningen zijn wat aan de petieterige kant, maar ze passen wel in de wereld van de kakkerlakken.
De titel is een ietsje ver gezocht, en komt alleen even als element naar voor. Op het eind van de missverkiezing moeten de kakkerlakken nog één proef doen: chocolade herkennen, en een vrucht waarvan ze vinden dat ze “een beetje op citroen lijkt, maar dat de schil veel dunner is. Het voelt als citroen, maar net iets sappiger. Het is zuur en zoet tegelijk, een beetje zoals pompelmoes, maar dan anders.Chocolade en limoen: over kokette en andere kakkerlakken / Lieve Pultau ; illustraties Ellen Cornelis.- Leuven : Davidsfonds Infodok, 2006.- 52p. : ill.- ISBN 90 5908 185 4

vrijdag, maart 20, 2009

Satergeschater / Bavo Dhooge

Op de kermis in het dorp, wordt een jongen het slachtoffer van een vloek die een waarzegster heeft uitgesproken. De volgende dag begint hij heel langzaam “te vergaan van het lachen”. Zijn vriend Daan wil hem helpen en trekt op onderzoek uit. Waarom werd zijn vriend vervloekt?

“Ik weet nog goed wanneer Jerry begon te vergaan van het lachen.” Dat geeft een goeie start van een sterk verhaal. Je merkt dat de auteur eveneens televisiescenario’s schrijft. Dit boek gaat voor een groot stuk ook over mensen die in het televisiewereldje werken, en wat er nà dat ze hun werk als acteurs hebben gedaan, met hen gebeurt. Natuurlijk wordt hier overdreven, maar het sterke aan dit boek is dat het nooit belachelijk griezelig wordt. Zelfs de personages uit de televisiewereld zijn niet opgezadeld met belachelijke namen, ze hebben veel weg van bestaande acteurs en actrices, en zorgen voor leuke (beetje makkelijke, dat wel) doordenkertjes. Een oude sitcom wordt nu als film opnieuw gemaakt, en volgende acteurs zullen hoofdrollen vertolken: Al Capuccino (Al Pacino), Jodie Blockboster (Jodie Foster) en Barbara Streickijzer. (Barbara Streisand?)
Verder zit dit verhaal ook goed in elkaar, met logische nooit belachelijke griezelelementen omdat je nu eenmaal een griezelboek schrijft.
Maar ook één van de mensen die in de sitcom van vroeger speelde, duikt op, alle andere personages uit de sitcom zijn een vreemde dood gestorven, en het zijn die puzzelstukjes die voor de lezer letterlijk aan het eind van het boek in elkaar vallen. Echter nooit om een gemakkelijkheidseinde te creëren, het klopt allemaal perfect.
Alles begint op de kermis, waar Daan en Jerry, wanneer ze uit het spookhuis komen op een waarzegster botsen: Madame Zerba. Zij vervloekt Jerry, waardoor hij (een week, zo blijkt aan het einde van het boek) niet meer kan stoppen met lachen, en zich letterlijk zal doodlachen. Later krijg je als lezer op een knappe manier en niet gebruskeert als: “en nu weten jullie het” te lezen waarom Madame Zerba net Jerry vervloekte, en niet Daan. Jerry’s vader heeft een televiesiestudio, en Gerda Garderobe werkt daar als hulpje. Je komt te weten, zonder dat ik het gevoel had dat het te snel ging) dat Gerda Garderobe eigenlijk de enige overlevende is van de Zombies van vroeger, en dat zij zich wilde wreken op de familie van Jerry, omdat “De zombies” destijds werden afgevoerd.
Het is wel zo dat je als (ervaren?) lezer snel doorhebt dat het hulpje van Jerry’s vader iets met de vloek waarmee Jerry opgescheept zit, heeft te maken, en een mortuarium, waarin voetstappen weerklinken, en waar wit licht schijnt, maken de boel af. Het hulpje duikt op, waneer Daan op onderzoek uit gaat, maar zij ziet er helemaal niet vreemd uit. (Klassiek element)
Toch duikt hier en daar ook in dit boek een onlogisch element op. Maar niet in die mate dat het droevig gesteld was met dit boek. Dit is één van de weinige boeken waar ik voor bijna 100% tevreden ben.
Wanneer Daan bij Jerry thuis komt, nadat hij stilletjesaan is beginnen te glimlachen: “Ik begon me ongemakkelijk te voelen met die lach. Het woordje MET klopt hier niet, want Daan heeft die lach niet. “Ik begon me ongemakkelijk te voelen ONDER JERRY’S lach”, daarentegen…
“Op den duur (den duur?!) kreeg hij me zover dat ik hem met plezier in de liftkoker had opgesloten. Ik haat nu eenmaal opgewekte mensen, vooral na een ellendige schooldag. Waar slaat dit op? Jerry WIL helemaal niet persé opgewekt zijn!
De droom over het graf waarin Daan zich bevindt, lijkt me een beetje gezocht. Er staat namelijk (hij is gaan slapen) dat hij om middernacht WAKKER werd. Hij voelt zand in zijn mond, hij kan zijn oogleden aftrekken, zijn haar valt uit, en zijn vingers en tanden zijn weg. Dit klopt niet. Je wordt er later op gewezen dat hij droomde, maar dan moet niet verteld worden dat Daan wakker werd.
De personages dan. Jerry en Daan hebben allebei ouders, maar ze blijven een beetje vaag, op de achtergrond. Je weet niet hoe ze eruitzien, alleen wat ze doen, en Jerry’s vader krijgt zowaar nog een grotere rol dan Daan dacht. Al wist Jerry’s vader niets over de vloek. Daan daarentegen wist wel dat het niet anders kon of zijn vader moest weten dat Madame Zerba/Gekke Gerda/Gerda Garderobe bij hem werkte. Zij verdween later (je zou voor minder, nu iedereen je door lijkt te hebben) met de noorderzon, in het “decor van de oude Zombie-serie.” Gekke Gerda onderhoudt contacten met de dode leden van de crew, btw.De moeite van het lezen heel erg waard!

Eric Carle bij Google!

Het is de eerste lentedag, meldt Google, en voor de gelegenheid hebben ze Eric Carle gevraagd om hun logo te ontwerpen: zelfs Rupsje Nooit Genoeg ontbreekt niet. Hoera!

woensdag, maart 18, 2009

Het Ongelooflijke verhaal van Marie / Joris Vanden Brande ; Tom Hautekiet

Op de hoek van de straat staat een vrouw. (…) Dit is haar verhaal. Zo begint dit boekje. Je krijgt het verhaal van Marie, die in een Zwitsers bergdorpje woont, naar wat ik op de illustraties zie althans. Het dorp is haar wereld, de wereld is haar dorp. Na haar uren die ze in haar winkeltje slijt, leest ze boeken over verre landen, waar ze nooit komt, nooit is geweest. Maar op een dag verandert haar hele leven: er meert een reus van een man aan. Paolo, hij is wel drie meter lang. En hij heeft een rood paard bij zich. Maar Paolo zit niet op het paard: het paard zit op hem. Zo reizen zij. Ook Paolo’s boot is vastgeboden op de rug van een walvis. Marie kan Paolo kippenborsten, een koeientong, twee varkensogen en hanenpoten aanbieden. (Een volwassen lezer zal hier de dubbele bodem zien). Paolo is meteen gek op haar. Ze vraagt of ze met hem in zee mag (dubbel). Zo beginnen zij hun reis. Ze laten windjes in zee, om de walvis te plezieren. Ze belanden in Afrika, het land van sneeuw en ijs. Ze belanden bij een sjeik, nadat hun walvis ervan doorging. En ze kopen een kindje. Minni. Maar Minni is ziek, en wordt op een ochtend niet meer wakker. Paolo en Marie zijn ontroostbaar. Paolo loopt op een dag de zee in, en Marie blijft achter. Hier merk je dat de auteur evengoed had kunnen zeggen dat Paolo zelfmoord gepleegd heeft. Maar toch heb ik niet het gevoel dat er iets “verbloemd” moest worden. Het mooie is ook dat Marie een kaartje van hem krijgt, waarin hij zegt, dat wanneer zij er klaar voor is, hij haar komt halen. En Marie sterft, op de hoek van de straat. Op haar begrafenis komt iedereen die zij kende, ook Paolo, opdagen. Of Maries verhaal waar is, moet de lezer zelf uitmaken. Dit boekje is kort, en je zou kunnen zeggen dat het weinig om het lijf heeft, maar met dat gevoel bleef ik absoluut niet achter. Wat is waarheid? Wat is leugen? Moet alles wat verteld wordt, waarheid zijn? Ik geloof dat dat de bedoeling van de auteur was: om zodanig fantasie te scheppen, dat de lezer zelf zijn waarheid moet vinden. De CD biedt geen meerwaarde aan het boek, althans niet wanneer je dit verhaal met de cd zou willen “meelezen.” Het boek vertelt het verhaal van Marie vanuit een derde persoon, terwijl op de CD gebruiktgemaakt werd van personages die hun verhaal vertellen, waardoor het een “ik” verhaal wordt. Het is een luistersprookje geworden, op muziek van Peer Gynth, die wonderwel bij het verhaal past.
Er staan geen foute zinsconstructies of ongeoorloofde drukfouten in dit boek, maar de tekeningen ogen ouderwets, en klein. Op de pagina waarop gezommen wordt, zie je bvb niet dat Paolo een man van drie meter is, terwijl je dat wél kunt opmaken wanneer hij opduikt in het dorp.
Dit verhaal heeft een klein beetje van “Geen spijt” van Paul Verrept: de straatmus die Edith Piaf was, wordt hier ook deels ten tonele gevoerd in de gedaante van een gekke Marie, van wie iedereen effectief denkt dat ze gek is.
Het ongelooflijke verhaal van Marie / Joris Van den Brande ; Tom Hautekiet.- Tielt : Lannoo, 2007.- ISBN 978 90 209 7257 3

dinsdag, maart 17, 2009

Poeroe / Patricia David ; Erika Cotteleer

Poeroe is een nogal dom opperhoofd in een trollenland. Zelf denkt hij dat hij de slimste is, hij is het opperhoofd van de trollen. Iedereen moet doen wat Poeroe zegt. En al wie dat niet doet, vliegt weleens in de trollengevangenis. Poeroe heeft ook nog een zoon, Kobol, die WEL echt slim is. Wanneer hij zijn vader wijsmaakt dat alle trolletjes beter oorlog kunnen voeren als ze slim zouden zijn, is Poeroe in alle staten! Hij laat een school oprichten! Daar kunnen de trolletjes leren lezen! En slim worden. Maar… Wie gaat er lesgeven in trollenland? Poeroe beslist om het zelf te doen, maar bakt er niets van… Zal Poeroe in het heksenbos, aan Valsefie en Kweetetal raad gaan vragen?
Heerlijk! Dit boek loopt goed, zonder dingen die bij de haren gesleurd zijn om dit boek te vullen. Alles past in elkaar. De personages in dit boek zijn goed uitgewerkt, en je leeft mee met hoe ze zijn, en hoe ze hun leven tendienste stellen van hun nogal domme opperhoofd. Vreemd: zelf redelijk dom zijn en zo’n slimme zoon hebben…
Wat me in het begin van het boek opviel, is dat de trollen in dit boek soms worden afgebeeld zoals de trolletjes die vroeger mode waren, blote mannetjes met rechtopstaand roze en groen haar.
De trollen in dit boek zijn niet vies, althans, dat is niet wat de auteur wil doen geloven. Poeroe vindt wel dat zijn trollen zich niet met zeep mogen wassen, en dat ze vies moeten zijn en moeten stinken. Maar dan willen Valsefie en vooral Kweetetal geen les meer geven… Ze leren de trolletjes en de trollenvrouwen om zich te wassen met zeep. Algauw vinden deze het veel leuker om lekker te ruiken, en komt er een soort opstand in het land! Poeroe is de baas, het opperhoofd! De heksen hebben in zijn land niets te zeggen.
Dit boek is helemaal perfect gedoseerd: alles zit er goed in: goed en kwaad, hoe je met elkaar moet omgaan, goede dingen, slechte dingen (Kweenie, het huisdier van Kweetetal ontvoeren, omdat zij Poeroe de les speldde, dat kon hij niet hebben), die uitkomen, en mensen (heksen in dit geval) verdriet doen, wroeging, in beperkte mate, omdat Poeroe vond dat Kweetetal maar niet met zeep in het trollenland moest komen aanzetten.
Het fijne aan dit boek is dat er met een fantasiewereld gewerkt word om dingen duidelijk te maken voor kinderen, zonder dat men daarbij een opgestoken vingertje nodig heeft. Dit is een vrolijk boek, maar nooit sketch-achtig. Mensen moeten samenleven, en beleven goede dingen, en slechte dingen, ze leren winnen en verliezen. In een van de laatste hoofdstukken komt het land van Gorako, andere trollen, aan bod. Hij is alles wat Poeroe niet is: Poeroe tiert en mept zijn trollen wanneer zij iets niet kunnen, Gorako moedigt hen juist aan om verder te doen. Als de heksen toveren, gebeurd dat nooit zomaar, het komt elke keer wel van pas in het verhaal: “Heksen? Die mogen geen lesgeven in mijn land – dixit Poeroe – “dat zijn vrouwen”! Dus toveren Valsefie en Kweetetal zich om in trollenmannen. Ach, het is allemaal zo menselijk, hetgeen je in dit boek krijgt voorgeschoteld.
Wat me wel mateloos stoorde, en wat mijn zin om dit boek te lezen afremde, is het losse blad met de voorstelling van de personages, en wat ze al uit vorige boeken hebben meegemaakt. Stop dit blad mee in dit boek, achteraan ofzo, minstens evengoed. Nu lijkt dit losse blad op een reclamestunt: lees ook de andere boeken over de heksen! Niet dat ik niet overtuigd ben, na het lezen van dit boek, maar het losse blad neemt de lezer een iets te veel bij de hand. Het blad heeft ook niets van de toon die het boek wel heeft: fantasie en trollen, op mensenmaat. Op het losse blad spreekt de auteur je toe, of zelfs de uitgever, die vond dat dit blad erin moest. Het is trouwens een gruwelijk “kwijt-raak” element!Poeroe / Patricia David ; illustraties Erika Cotteleer.- Hasselt : Clavis, 2006.- 273 p.: ill.- ISBN: 978 90 448 0635 9

maandag, maart 16, 2009

Archief Jeugdboekenweek

Jeugdboekenweek 2009: Achter de spiegel

Kriepie en de matrollen / Walter Baele ; Claudia Verhelst
De kapitein en ik : Dagboek van een zeerover / Koen Van Biesen
Het ongelofelijke verhaal van Marie / Joris Vanden Brande ; Tom Hautekiet
Paniek in de bieb / Eoin Colfer ; Tony Ross ; vert. Annelies Jorna
Heksje Paddenwratje / Henri Van Daele ; Klaas Verplancke
Satergeschater / Bavo Dhooge
Poeroe / Patricia David ; Erika Cotteleer
Heksenrace / Guy Didelez ; Harmen van Straaten
Sebastiaan Tok en het kasteel van Lamooste / Linda van Mieghem ; Helen van Vliet
Chocolade en limoen / Lieve Pultau ; Ellen Cornelis
Terug naar Hamelen / Bill Richardson ; Mark Janssens
Een klein geheim / Kate Saunders
Elfenblauw / Johan Vandevelde

Jeugdboekenweek 2008: Mooi

Een boekenmaaltijd
De jongen in de gestreepte pyjama / John Boyne
Huilen naar de maan / Gerda Van Erkel
Dulle Griet / Geert De Kockere en Carll Cneut
Bij Uil thuis / Arnold Lobel
Mijn hart is een pinguïn / Chiharu Sakazaki ; Bewerking: Bart Moeyaert
Misschien wisten zij alles: 313 verhalen over de eekhoorn en de andere dieren / Toon Tellegen
Eén miljoen vlinders / Edward van de Vendel en Carll Cneut
Jot / Klaas Verplancke
Olle / Wim Vromant en Linda Schacht

Jeugdboekenweek 2002: Wonen, onderdak

Het koekboek van Vos en Haas
Projectuitwerking bibliotheekschool

Heksenrace / Guy Didelez ; Harmen van Straaten

Lelijke Lura heeft een flinke verkoudheid. Wanneer ze bij haar vriendinnen langskomt om te klagen over haar verkoudheid, merken ze op dat er in de krant (daar snuiten heksen hun neus in) iets staat over een wielerwedstrijd voor kinderen, in de buitenwereld. Lelijke Lura wil maar al te graag meedoen, met haar bezem wint ze zo. Maar haar heksenvriendinnetjes zien dit niet zo zitten. Lelijke Lura’s mama wil echter niet dat haar dochter alleen aan de wedstrijd deelneemt, en zo beslissen de heksjes toch om zich in te schrijven. Een voorwaarde: het voertuig waarmee deelgenomen wordt, mag niet van de grond afkomen…
Geestig, fris boek. Ook in dit boek in de reeks viel me op dat niemand van de buitenwereld bang is voor heksen, dat ze gewoon deelnemen aan het leven buiten het heksendorp. Hun ouders vinden dit ook helemaal niet erg, en daarin verschillen deze boeken enigszins van andere boeken over heksen die met mensen in aanraking komen. Vijf andere teams doen mee: twee Chinese meisjes (die – klassiek gegeven - niets anders doen dan foto’s nemen. Zijn het overigens niet de japanners die hierom bekend zijn?) Ze praten ook zonder de R te gebruiken. Dit wordt een beetje uitgemolken. Maar dit element stoort verder niet in dit boek. Dan twee jongens met een jack aan waarop doodshoofden staan, hun hoofden zijn kaalgeschoren (de Bad Boys), een jongen met een autopedje (Zijn naam is Fredje, en dat staat wel leuk in dit boek: Fredje met zijn autopedje)
Verder is dit boek een beetje een verslag van een wielerwedstrijd met fraude (in dit geval omdat de organisator geen aandacht krijgt van de pers) De route die de kinderen moeten afleggen gaat trouwens onderandere over de berendries en de koppenberg. Net als in de Ronde van Vlaanderen. Dat is wel ok. Wel storend is het feit dat Lelijke Lura steeds op het punt staat te gaan niezen, en dit ALTIJD in het boek voorkomt: “ah, ah (alsjeblieft, of nog iets anders wat met a begint, soms niest ze echt) Maar dit is echt storend, en op de duur weet je het wel. De heksjes zijn na de fraudezaakjes (wegwijzers worden omgedraaid, iemand doet iets in het water dat de deelnemers drinken, zodat zij erge diaree krijgen, Fredje krijgt die kraaienpootjes in zijn voeten (“Ik dacht even aan echte kraaienpootjes”, zegt een heksje), en bloedt daardoor hevig. De heksjes verdenken altijd de Bad Boys, tenslotte staat dat voor slechteriken, en met kaalgeschoren hoofd en leren jack aan, is het niet moeilijk om dat als lezer meteen te denken. Tot dit verhaal een ander einde heeft, en de organisator schuld bekent! Dat hebben de heksjes weer fijn opgelost!
Geen giller, dit boek, maar niet slecht.Heksenrace /Guy Didelez ; illustraties van Harmen van Straaten.- Hasselt : Afijn, 2006.- 86p : ill.- ISBN: 90 5933 087 0 – 978 90 5933 087 0

zondag, maart 15, 2009

Paniek in de bib / Eoin Colfer

Willem is een jongetje dat vier broers heeft. Wanneer die in de zomervakantie allemaal thuis zijn, en elk twee vriendjes meebrengen, lopen er soms vijftien jongetjes bij hem thuis rond. Of ze hangen in de gordijnen. Of ze moeten allemaal tegelijk naar de wc… Daaraan wil Willems moeder iets doen, de laatste keer met vijftien jongetjes in huis, allemaal onder de elf jaar, was een beetje te wild geweest. Er werd beslist dat er geen jongetjes meer kwamen spelen… Moeder beslist dat haar twee oudste kinderen, Willem en zijn broer Martin, de zomer zullen moeten doorbrengen in de bieb… De bieb, dat is vooral verschrikkelijk omwille van mevrouw Kan. Ze heeft een aardappelkanon, waarmee ze kleine jongetjes het leven zuur maakt…
Erg grappig boek, met goed gedoseerde humor, die nooit vergezocht lijkt. De jongetjes in dit gezin worden raak getypeerd, en vooral hoe hun situatie is wanneer ze elk twee vriendjes meebrengen. De bieb? Daar willen Martin en Willem niets over horen, vooral omdat hun kleine broertjes er NIET heen moeten. Trouwens, wat moet je tijdens de zomer elke dag twee uur in de bieb? Boeken zijn saai!
Het hele boek baadt wat mij betreft een beetje in een Roald Dahl sfeertje. Tot de tekeningen toe. Die zijn sprieterig, en doen een beetje aan een stripverhaal denken. Toch zorgen ze mee voor de grappige sfeer van dit boek.
Ook de volwassenen, en dan in het bijzonder Mevrouw Kan, bijgenaamd “Het kanon”, vanwege haar aardappelkanon waarmee ze volgens alle kinderen uit de buurt, mee op kinderen schiet, moet het ontgelden. Ze is verschrikkelijk streng, en ze moet niets van kinderen weten.
De setting, een heel verhaal laten afspelen in een bibliotheek, het is gedurft, als je het mij vraagt. Hoe krijg je een boeiend boek dat zich afspeelt in de bib? Met Eoin Colfer lukt dit. Er gebeurt verder NIETS in het hele boek, het hele boek draait verder om twee jongetjes die het eng vinden om met een enge bibliothecaresse te zitten opgescheept. En ze zijn verplicht om twee uur vol te maken, tot hun moeder hen komt halen.
De jeugdbibliotheek bestaat uit één enkele kast met vier rekken. That’s it. Willem en Martin zijn ook verplicht om op het kleedje voor die kast te blijven. Toch proberen ze om weg te komen. Die trucs deden me een beetje de wenkbrauwen fronsen, niet om hoe ze uitgevoerd werden (met een trui rond je nek gebonden om geen geluid te maken.), wel over de afwikkeling: “Martin KLOM op de ONDERSTE plank, en kroop zo verder naar het volgende rek. Dat moet je me toch eens laten zien. Mevrouw Kan heeft Martin echter beziggezien, en ze betrapt hem. Nu zwaait er wat! Martin probeert er zich uit te praten, maar de bibliothecaresse weet wel beter! Martin is van het kleed afgegaan! Hoe mevrouw Kan wordt beschreven is ook erg leuk, je zou meteen bang voor haar worden. Maar ook hier geldt de regel die in veel kinderboeken vaak terugkomt: niets is wat het lijkt. Mevrouw Kan begrijpt aan het eind van het verhaal ook wel dat kinderen niet altijd stil kunnen zijn, en dat dat ook niet hoeft. Dat is de grote kracht van dit boek: lezen kan fijn zijn, de ouders proberen hun kinderen hiervan te overtuigen, maar de kinderen geloven er niets van, en al zeker niet als ze hun vakantie hiervoor moeten opofferen. Twee uur per dag in de bib doorbrengen? Dankjefeestelijk! Tot Willem en Martin vinden: “er was iets vreemd met de eerste zin van het boek: het was SPANNEND. “Teun Top, was de grootste reus van heel Friesland.” (Waaruit misschien kan opgemaakt worden dat de vertaalster van dit boek uit Friesland komt?) En dan komt er een keerpunt voor de jongens, en vinden ze lezen fijn. Maar dit komt niet vergezocht over, en alles klopt in dit verhaal. Alleen de titel mocht wel een ietsje minder uitnodigend zijn. Ik verwachtte eerder iets karikaturaals. Er gebeurt helemaal niets engs in de bib ofzo, en de jongens zijn helemaal niet zo erg in paniek als dat de titel laat uitschijnen, ze vinden het alleen wel eng om met een boze bibliothecaresse te zitten opgescheept, die uiteindelijk wel blijkt mee te vallen.Paniek in de bieb / Eoin Colfer ; vertaling Annelies Jorna ; illustraties Tony Ross.- Amsterdam : Pimento, 2006.- Oorspr. titel: The legend of Spud Murphy.- 109p.: ill.- ISBN: 90 499 2108 6

woensdag, maart 11, 2009

Teasertje (2)

De Hondeneters / Marita De Sterck
december 1917, volop oorlogstijd. Honden zijn in Rupelmonde, Boom en omstreken niet meer veilig, mensen moeten immers ook leven. Wanneer Victors hond Django op een dag niet thuiskomt, besluit Victor hem te gaan zoeken... Zijn tocht voert hem langs kroegen waar hij nooit eerder mocht komen van zijn overbeschermende ouders - hij heeft "vallende ziekte" - meisjes heeft hij nog nooit gekust, want dat bracht ongeluk, voor hem althans. Ga mee op zoek naar Django, maar vergis je niet: je hebt een heel wreed boek in handen... Maar mooooiiii!

zaterdag, maart 07, 2009

Sebastiaan Tok en het kasteel van Lamooste

Sebastiaan Tok is een tienjarige jongen, die met zijn ouders naar een echt kasteel in Lamooste gaat verhuizen. Hij zal wegmoeten uit zijn oude vertrouwde kamer, waar de barst in het plafond een net-niet kussend koppeltje voorstelt, volgens Sebastiaan. En zal hij zijn chatvriendinnetje nog vaak online zien als hij daar gaat wonen? Sebastiaan vindt het in eerste instantie maar niets, dat grote kasteel. Maar al snel voelt Sebastiaan zich er wel thuis, al gaan daar wel de nodige angsten aan vooraf, en terecht…
Heel erg goed boek, dat mij een beetje aan “Het oneindige verhaal” van Michael Ende doet denken, zij het dat “Sebastiaan Tok en het kasteel van Lamooste” veel minder langdradig is.
Het boek begint heel klassiek met een jongetje dat het een beetje spannend vindt om te verhuizen, en naar een echt kasteel dan nog, maar het wel jammer vindt om zijn oude huis te moeten achter laten. Maar het is paasvakantie, dus heeft Sebastiaan wel tijd om wat te wennen aan zijn nieuwe woonst. Het boek begint met cursiefgedrukte letters met een hoofdstukje “Sissend hout.” Je krijgt te lezen dat Sebastiaan een stripdagboek bijhoudt, van elke dag maakt hij een tekening. Vreemd is wel dat het dagboek als element niet vaak meer terugkomt in het boek. Misschien doet dat dagboek in wat misschien het eerste deel van een reeks moet worden over Tok, niet echt terzake?
Dit boek bevat gekke elementen en gekke kasteelbewoners, en een geheimzinnige kast. Toch is dit boek nooit belachelijk. Het loopt door. Hij woont met zijn ouders in het kasteel met als hulpje een zure juffrouw Niemandsverdriet, die tot voor de verdwijning van Graaf Archibald, van wie de familie Tok-Liberati het kasteel kocht, voor hem heeft gezorgd. Ze is vastbesloten om dat ook voor de nieuwe bewoners te blijven doen, maar zij zijn daar niet zo mee opgezet. Dat Niemandsverdriet zich ook wil bemoeien met de opvoeding van Sebastiaan, gaat zijn moeder te ver: “Er is nog iets,” zei ze nadat ze hem grondig gewikt en gewogen had. “Ik hoop dat uw zoon hier niet met vuile voeten binnenkomt. Dat hij respect toont voor dit huis en zijn kunstschatten”. “De opvoeding van mijn zoon behoort niet tot uw takenpakket”, merkte zijn moeder uiterst koel op. (Wie iets op hem (Sebastiaan) aan te merken had, raakte meteen zijn moeder. Dan werd “Loetsia” serieus furieus!”
Maar alles veranderd (maar het verhaal wordt er wat mij betreft alleen maar sterker door) wanneer zijn moeder in een antiekzaakje een heel oude uit blauwe steeneik, jachtkast koopt. In die kast zijn krokodillen en slangen gehouwen. Voor de krokodillen hoeft men volgens de verkoper niet zo bang te zijn, maar blijf uit de buurt van de slangen…
Sebastiaan merkt algauw dat de krokodillen en de slangen tot leven komen… Hij merkt dat de kast een dubbele ingang heeft (Hier zijn we wat mij betreft aanbelandt bij Bastiaan uit Het oneindige verhaal), en komt terecht bij een kikkerachtig ventje. Zijn naam is Wadde. Wadde vertelt Sebastiaan heel wat over zichzelf, na betaling in muziekinstrumenten. Wadde is verbannen door de Ilexanen, en heeft als straf twintig jaar in een kast door te brengen, bewaakt door Jappeke, een fladderdis. Die fladderdis lijkt op een pteranodon, een dino die al miljoenen jaren is uitgestorven. Dan is er nog Sir Tabby, een schilderende kater. Hij bezorgt Sebastiaan elke ochtend een beschilderde dode muis. Volgens Jander, de boswachter die op het terrein woont, vindt Sir Tabby Sebastiaan wel ok, want hij beschilderd de muizen in lichte kleuren ; een teken volgens Jander dat Sir Tabby Sebastiaan ok vindt.
Maar door al die fantasieën door, had ik nooit één keer het gevoel: dit of dat is vergezocht. Enkel hier en daar een beetje onlogische elementen: Sebastiaan heeft een chatvriendinnetje ; Iris. Hij heeft haar al lang een foto gestuurd, maar van haar krijgt hij niets terug. p. 8: soms vreesde hij dat haar ouders overbezorgt waren. Het was toch niet normaal dat ze nauwelijks persoonlijke informatie doorstuurde? (Hoezo? Dat lees je elke dag en zeker als kind wordt het je op het hart gedrukt: wissel geen te grote intimiteiten uit!) Dus dat was wel een element wat mijn wenkbrauwen deed fronsen. Anderzijds heeft Iris in dit boek wel een reden om te zwijgen: na de paasvakantie blijkt dat Sebastiaan en zij samen in één klas komen te zitten, en ziet Sebastiaan dat Iris een meisje in een rolstoel is. Iris zegt hem dat ze wist dat hij naar Lamooste zou komen, en bang was voor zijn reactie: zolang Sebastiaan niets over haar wist kon zij twee meisjes blijven. Maar algauw merkt Sebastiaan dat Iris een heel gewoon iemand is, iemand die gewoon met de anderen meedoet. Haar handicap komt zelfs niet meer in die mate naar voor dat het ergerlijk wordt: ze hoort er gewoon bij. Iris verteld Sebastiaan dat ze een ongeval had. Sebastiaan wil net als zij weten wie haar heeft aangereden, en vraagt raad aan Wadde, maar die wil daar uiteraard iets voor terug. Leuk is dan weer dat je je als lezer kunt voorstellen dat Sebastiaan verschillende geurtjes badschuim heeft, en dat hij in elk geval niet voor “vanille” opteert. Het gaf je het gevoel in een reusachtige pudding ondergedompeld te worden. (P12). De fantasieën over kleuren van bloed “Hoe Italiaans bloed eruitziet, vroeg Sebastiaan zich al jaren af. Was het feller rood dan Noors of Deens bloed? Of zou het misschien een paar graden warmer zijn? Dat zou best wel eens kunnen, want zin vader zei altijd dat zijn moeder een warmbloedig type was. P.16” Wat me in het begin van het boek wel stoort is dat de ouders van Daniël niet als “mama” en “papa” worden aangesproken (hoewel dat later wel het geval is), maar met hun voornamen. Dit wekt voor de lezer een afstand, die niet hoeft. (Lucia had het gekocht (…)p.17, (…)fluisterde Lucia, “ik weet het niet, aarzelde Daniël Tok” p.19). Of Jappeke, Wadde, de bewegende krokodillen en slangen op de jachtkast fantasie zijn of niet, het blijft een boeiend gegeven. Sebastiaan schrikt weleens hevig wanneer hij in die eetzaal waar de kast staat, iets meent te zien bewegen. Zijn ouders merken dit wel, maar geloven het niet, maar je krijgt als lezer nooit het gevoel: “jaja, de levendige fantasie van een jongetje hé?” noch het gevoel dat zijn ouders hem niet willen geloven. Ik denk dat daar de kracht van dit boek in schuilt. Wanneer ook de verkoper van de kast aan de antiekzaak – Anthonius Wijsglas – aan Sebastiaan bekend dat hij OOK weet dat er vreemde dingen aan de jachtkast waren weet je dat je met deze twee rare snuiters nog wel wat kunt beleven… En aangezien de rug van het boek een “1” in de titel heeft, vermoedt ik dat het verhaal over Sebastiaan nog niet ten einde is… Sebastiaan Tok en het kasteel van Lamooste / Linda Van Mieghem ; Helen van Vliet.- Hasselt : Clavis, 2007.- 223p.: ill.- ISBN 978 9044807523