“Als Tilda niet toevallig de waarheid gezegd had, zou dit nooit gebeurd zijn. Ze zou geen liefdesbrief geschreven hebben naar Axel, ze zou de Kilimanjaro niet kwijtgeraakt zijn, zou niet op de verkeerde wc gegaan zijn, ze zou Worstje niet ontmoet hebben, zou niet met haar armen in de olifantenpoep gelegen hebben… en ze had zeker nooit de hoofdprijs hebben gewonnen!”
Dit is wat de achterflap vertelt, en het boek biedt ook niet meer dan dat. Ook niets minder, en dat is fijn.
Elk hoofdstuk begint ook op dezelfde manier, zodat het op een refrein gaat lijken: Als ik niet…, Nu gebeurde dat wel.
Het is niet nodig om het vorige boek over Tilda te lezen, ze vertelt in dit boek redelijk over wie er in het vorige boek tot haar leefwereld behoorden, zoals Tante Doris, die nu verderop woont (omdat Tilda samen met haar moeder en met Tomas, de gymleraar op school, en Tilda’s moeder haar vriend) is verhuisd.
Het is een goed geschreven boek, zonder fouten, en zonder slechte vertalingen. Maar voor mij was dit boek een beetje een suikerspin: lekker, maar niets meer dan dat. Zoals gezegd: wanneer je de achterflap gelezen hebt, heb je wat mij betreft genoeg gelezen. Het is geen slecht boek, Tilda is een lekker gek meisje (maar geen Pippi Langkous: ze heeft bezorgde volwassenen rondom zich, en verstandige vrienden. Zij zorgen ervoor dat Tilda niet nog gekkere dingen meemaakt. Tilda is gek op honden, en op pagina 10 loert Astrid Lindgren om het hoekje: ze heeft een van haar 120 pluche honden “Bootsman” genoemd. Hij is overigens ook een Sint-Bernardshond. Ze heeft ook een pluchen Afghaanse windhond, maar hij moet het vaak bekopen, wanneer ze huilt, nogal vaak, moet hij dienen als zakdoek.
Op pagina 15 zegt Tilda’s moeder haar na, wanneer ze uitlegt dat Axel haar niet meer wil zien: “Wil Axel je niet meer zien?” “Hij komt niet naar mijn feestje. “Komt hij niet naar je feestje?” “Mama kan vast geen eigen woorden meer bedenken”, is Tilda’s vaststelling.
Op p.19 staat een inimini-foutje: Axel wordt even Alex. Hoeft niet. Komt daarna ook niet meer voor.
Op pagina 22 stoort de eerste zin me: “Ik liep zo gewoon mogelijk naar het hek en de oprit van Axel.” Dat zijn zinnen die ik al zo vaak ben tegengekomen, dat ze me echt blijven storen: Mensen hebben geen hekken of opritten, hun huizen waarin ze wonen wel!
Op p34 wordt een grappige omschrijving gegeven van een brievenbus, nadat Tilda eerder kwam vast te zitten op het balkon van Axels huis. Ze wilde een brief afgeven: “Heb je nooit van een brievenbus gehoord?” Hikte hij. Mama gierde met Tomas mee. “Heel leuk, zei ik.” “Dat is een kleine, praktische uitvinding waarin je een brief kunt stoppen,” ging Tomas verder. “Soms is het gewoon een sleuf met een klep in de deur, soms is het een apart busje met een slot, meestal vooraan in de tuin”. Mama sloeg dubbel van het lachen.
Op pagina 69 lees ik dat je ook een hond kunt uitlaten zonder dat je, zoals in “Hoe appelsienen de toekomst voorspellen”, een hondendrol uitvoerig moet beschrijven: “Simon haalde een zwart zakje uit zin broekzak. Met dichtgeknepen neus en een grote grijns raapte hij het ding achter Worstje op. (Klaar!) Even verder blijkt blijkbaar dat het, wanneer je vieze dingen bij je hebt, het moeilijk is om een vuilnisbak te vinden…
Op pagina 74 krijgt Tilda van haar moeder een nieuwe jas. Ze wil hem in de eerste winkel die ze tegenkomt kopen, maar daar komt volgens mama niets van in: ze moet eerst overal kijken, zodat ze later geen spijt krijgt, waarop Tilda het volgende repliceert: “Maar… zei ik, als ik de jas in de eerste winkel koop en niet in de andere winkels ga kijken, kan ik toch geen spijt krijgen?”
Dit boek heeft leuke personages, maar wat mij betreft mocht het iets meer zijn.
Als ik niet toevallig de waarheid gezegd had/ Ingelin Angerborn.- Tielt : Lannoo, 2007.-102p.- ISBN 978 90 209 7223 8
dinsdag, juni 23, 2009
zondag, juni 21, 2009
Jaspers vlinders / Johan Vandevelde

Jasper is 12 en gaat na de zomervakantie naar het Sint-Franciscuscollege – “De Grote School”. Al bij de eerste dag op school heeft hij een groepje vrienden, maar ook al twee vijanden. En er is Roderik: een grote bek die een jaar ouder is dan Jasper.
Dit boek gaat een erg klassiek schoolverhaal vormen, maar schijn bedriegt. Wanneer we zouden gaan prutsen met achterflappen, zou de achterflap van “Duet met valse noten” perfect bij “Jaspers Vlinders” passen, maar dan zonder de valse noten. “Op een dag gebeurt wat dagelijks 1000 keer gebeurt en toch uniek blijft: Voor Liselot wordt Lander meer dan zomaar iemand uit de klas” (…), is wat “Duet” vertelt. Dit kan perfect op de flap van “Jaspers Vlinders”, met Roderik en Jasper in de plaats van Liselot en Lander uit “Duet met valse noten”. Want dit is precies wat gebeurt. Dat is het vreemde met achterflappen wanneer men het heeft over een holebiboek: (en bij benadering: bij heel veel achterflappen, ook wanneer het niet om een holebiboek gaat) “Beetje bij beetje ontstaat er tussen beide jongens een heel bijzondere vriendschap”, meldt “Jaspers” achterflap. Terwijl hun liefde toch overduidelijk aanwezig wordt in het boek. Zij het inderdaad lekker “beetje bij beetje.” Er wordt heel duidelijk “naar iets toe” gewerkt. In deel 1 leren we een Jasper kennen die wil leren skaten met zijn nieuwe vrienden, maar die daar achteraf toch wel van af zal zien, nadat hij merkt dat iemand uit het groepje hem wil laten opdraaien voor een diefstal. (p.42) Hierbij wordt ook duidelijk dat Jasper een hoofdpersonage uit het boek is: hij komt meer uit de verf dan dat zijn klasgenoten / skatemakkers dat doen. (p48-49: “Hou je bek, Messy!” riep Nico. “Jazz is geen verrader!” Ze keken alledrie naar Jasper voor bevestiging. “Nee, ik ben geen verrader”, zei hij bits. “En mijn naam is Jasper. Jazz is muziek.”) Vandevelde geeft Jasper van bij het begin meer body dan de rest van zijn personages, zonder Roderik al op de voorgrond te laten komen. Niets komt geforceerd tot stand om toch maar een holebi-boek te worden. Wat de lezer wel opmerkt, is de twijfel bij Jasper: ben ik wel normaal? Waarom voel ik wat ik voel voor Roderik, en waarom heb ik die gevoelens niet wanneer ik met een meisje (naar de film) ga? Wat me wel opviel is het wel erg goor worden wanneer Peggy Jasper (die hem overigens wél ziet zitten) zoent tijdens hun afspraakje: (…) “Ze deed haar mond open en haar tong wriemelde zijn mond binnen. Haar beugel schuurde tegen zijn lippen. Hij proefde haar lippenstift en… was dat een stukje sla tussen haar beugel? Hij kon de hamburgersaus proeven in haar spuug, dat met beken zijn mond leek binnen te stromen. Hij zou wel gek zijn om het door te slikken (…)” Dit hoefde wat mij betreft niet zo expliciet.
Dit boek zit perfect in elkaar: We leren Jasper kennen en we merken op dat het een jongen is met karakter, een eerlijk iemand. Zijn “vijanden”, die hij al van bij de eerste dag op school heeft, omdat hij het heeft gedurfd om zijn mond open te trekken tegenover hen – Sam Bultheel en Steve Willems, twee vijftienjarigen die al voor de derde keer in het tweede zitten – zijn geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken, en behalve dat de halve school bang voor hen is (en je zou voor minder) komen zij niet als personage aan bod. Wel roken ze wiet in de toiletten, en dat komt later in het boek nog aan bod wanneer Jasper en Roderik samenkomen. Patrick Messelis “Messy” zal wanneer uitkomt dat hij de diefstal in Jaspers schoenen wilde schuiven, deel gaan uitmaken van het “vriendengroepje Willems en Bultheel”.
Hier en daar komt “Jaspers Vlinders” misschien wat belerend over, (wanneer Jasper zijn zus vraagt om niet aan hun ouders te vertellen dat hij homo is, is haar antwoord en mimiek “Ze gaf hem een bestraffende blik: ‘dat zul je zelf wel doen als je er klaar voor bent’”) maar je merkt toch vooral dat er helemaal niks mis is met iemand die homo, lesbisch of bi is. Ook de leraar biologie krijgt een belerend trekje mee: Jasper (en met hem de hele klas, wanneer Frank Deweerdt voor het eerst lesgeeft aan zijn klas, en er “goore nigt” op het bord gekalkt staat) komt te weten dat hij homo is, en vraagt hem om raad. Maar Deweerdt kan hem geen antwoord geven op de vraag of Jasper homo is of niet: “dat moet je zelf doen”. Al is het voor zoekende jongeren volkomen normaal dat ze zich dit afvragen bij iemand die ze vertrouwen, blijkt uit het boek. Dat Frank Deweerdt samenwoont met Paul is hier niet vreemd aan. Hij is het ook die Jasper een informatieboekje rond holebiseksualiteit meegeeft.
Het boek draait tot het eind van deel II helemaal rond school en het langzaam openbloeien van iets wat liefde zou kunnen genoemd worden, liefde tussen Jasper en Roderik, waarna in deel III alle mooie registers van die liefde worden opengetrokken. Jasper en Roderik zijn er altijd voor elkaar, zonder dat het klef wordt – ook al in deel I en II van het boek. Ook als het moeilijk wordt, wanneer uitkomt dat Roderik autoradio’s jat, omdat zijn broer achter zijn geaardheid is gekomen. Dat is het geweldig positieve aan dit boek. Het boek is qua verhaal en setting helemaal af, op een paar schoonheidsfoutjes na – en populaire dingen in een boek willen stoppen (het gebruik van “cool” steekt me normaliter tegen – Limp Bizkit door een ipod laten schallen, 50 Cent op een ringmap – dit hoefde niet.) De schoonheidsfoutjes vallen me helaas wel vaker op bij veel jeugdboeken, waarvan “Sabeltijgers”* op p.88 er eentje is. Moet het niet gaan om “sabeltandtijgers”? Of een belangrijke kledingsstuk bij het spelen van Need voor Speed op p. 123. Maar ik ben aan het muggenziften: het wordt vlot vergeven door het voor de rest voortreffelijke boek. Het voorplat van dit boek past helaas wel niet zo bij het boek: Noch Jasper, noch Roderik zien er ook maar een béétje uit als de jongen op het voorplat. Jasper heeft zelfs lang haar, en Roderik is blond. Wanneer een fotoshoot voor een boek als dit moeilijk ligt bij jongeren om te gaan poseren, mag je misschien niet kieskeurig zijn, maar toch: werk dan zonder foto? Toch blijft dit een boek waarvan je wakker ligt, of waarvan je nog dagen nadien loopt te glimlachen.
Dit boek gaat een erg klassiek schoolverhaal vormen, maar schijn bedriegt. Wanneer we zouden gaan prutsen met achterflappen, zou de achterflap van “Duet met valse noten” perfect bij “Jaspers Vlinders” passen, maar dan zonder de valse noten. “Op een dag gebeurt wat dagelijks 1000 keer gebeurt en toch uniek blijft: Voor Liselot wordt Lander meer dan zomaar iemand uit de klas” (…), is wat “Duet” vertelt. Dit kan perfect op de flap van “Jaspers Vlinders”, met Roderik en Jasper in de plaats van Liselot en Lander uit “Duet met valse noten”. Want dit is precies wat gebeurt. Dat is het vreemde met achterflappen wanneer men het heeft over een holebiboek: (en bij benadering: bij heel veel achterflappen, ook wanneer het niet om een holebiboek gaat) “Beetje bij beetje ontstaat er tussen beide jongens een heel bijzondere vriendschap”, meldt “Jaspers” achterflap. Terwijl hun liefde toch overduidelijk aanwezig wordt in het boek. Zij het inderdaad lekker “beetje bij beetje.” Er wordt heel duidelijk “naar iets toe” gewerkt. In deel 1 leren we een Jasper kennen die wil leren skaten met zijn nieuwe vrienden, maar die daar achteraf toch wel van af zal zien, nadat hij merkt dat iemand uit het groepje hem wil laten opdraaien voor een diefstal. (p.42) Hierbij wordt ook duidelijk dat Jasper een hoofdpersonage uit het boek is: hij komt meer uit de verf dan dat zijn klasgenoten / skatemakkers dat doen. (p48-49: “Hou je bek, Messy!” riep Nico. “Jazz is geen verrader!” Ze keken alledrie naar Jasper voor bevestiging. “Nee, ik ben geen verrader”, zei hij bits. “En mijn naam is Jasper. Jazz is muziek.”) Vandevelde geeft Jasper van bij het begin meer body dan de rest van zijn personages, zonder Roderik al op de voorgrond te laten komen. Niets komt geforceerd tot stand om toch maar een holebi-boek te worden. Wat de lezer wel opmerkt, is de twijfel bij Jasper: ben ik wel normaal? Waarom voel ik wat ik voel voor Roderik, en waarom heb ik die gevoelens niet wanneer ik met een meisje (naar de film) ga? Wat me wel opviel is het wel erg goor worden wanneer Peggy Jasper (die hem overigens wél ziet zitten) zoent tijdens hun afspraakje: (…) “Ze deed haar mond open en haar tong wriemelde zijn mond binnen. Haar beugel schuurde tegen zijn lippen. Hij proefde haar lippenstift en… was dat een stukje sla tussen haar beugel? Hij kon de hamburgersaus proeven in haar spuug, dat met beken zijn mond leek binnen te stromen. Hij zou wel gek zijn om het door te slikken (…)” Dit hoefde wat mij betreft niet zo expliciet.
Dit boek zit perfect in elkaar: We leren Jasper kennen en we merken op dat het een jongen is met karakter, een eerlijk iemand. Zijn “vijanden”, die hij al van bij de eerste dag op school heeft, omdat hij het heeft gedurfd om zijn mond open te trekken tegenover hen – Sam Bultheel en Steve Willems, twee vijftienjarigen die al voor de derde keer in het tweede zitten – zijn geen katjes om zonder handschoenen aan te pakken, en behalve dat de halve school bang voor hen is (en je zou voor minder) komen zij niet als personage aan bod. Wel roken ze wiet in de toiletten, en dat komt later in het boek nog aan bod wanneer Jasper en Roderik samenkomen. Patrick Messelis “Messy” zal wanneer uitkomt dat hij de diefstal in Jaspers schoenen wilde schuiven, deel gaan uitmaken van het “vriendengroepje Willems en Bultheel”.
Hier en daar komt “Jaspers Vlinders” misschien wat belerend over, (wanneer Jasper zijn zus vraagt om niet aan hun ouders te vertellen dat hij homo is, is haar antwoord en mimiek “Ze gaf hem een bestraffende blik: ‘dat zul je zelf wel doen als je er klaar voor bent’”) maar je merkt toch vooral dat er helemaal niks mis is met iemand die homo, lesbisch of bi is. Ook de leraar biologie krijgt een belerend trekje mee: Jasper (en met hem de hele klas, wanneer Frank Deweerdt voor het eerst lesgeeft aan zijn klas, en er “goore nigt” op het bord gekalkt staat) komt te weten dat hij homo is, en vraagt hem om raad. Maar Deweerdt kan hem geen antwoord geven op de vraag of Jasper homo is of niet: “dat moet je zelf doen”. Al is het voor zoekende jongeren volkomen normaal dat ze zich dit afvragen bij iemand die ze vertrouwen, blijkt uit het boek. Dat Frank Deweerdt samenwoont met Paul is hier niet vreemd aan. Hij is het ook die Jasper een informatieboekje rond holebiseksualiteit meegeeft.
Het boek draait tot het eind van deel II helemaal rond school en het langzaam openbloeien van iets wat liefde zou kunnen genoemd worden, liefde tussen Jasper en Roderik, waarna in deel III alle mooie registers van die liefde worden opengetrokken. Jasper en Roderik zijn er altijd voor elkaar, zonder dat het klef wordt – ook al in deel I en II van het boek. Ook als het moeilijk wordt, wanneer uitkomt dat Roderik autoradio’s jat, omdat zijn broer achter zijn geaardheid is gekomen. Dat is het geweldig positieve aan dit boek. Het boek is qua verhaal en setting helemaal af, op een paar schoonheidsfoutjes na – en populaire dingen in een boek willen stoppen (het gebruik van “cool” steekt me normaliter tegen – Limp Bizkit door een ipod laten schallen, 50 Cent op een ringmap – dit hoefde niet.) De schoonheidsfoutjes vallen me helaas wel vaker op bij veel jeugdboeken, waarvan “Sabeltijgers”* op p.88 er eentje is. Moet het niet gaan om “sabeltandtijgers”? Of een belangrijke kledingsstuk bij het spelen van Need voor Speed op p. 123. Maar ik ben aan het muggenziften: het wordt vlot vergeven door het voor de rest voortreffelijke boek. Het voorplat van dit boek past helaas wel niet zo bij het boek: Noch Jasper, noch Roderik zien er ook maar een béétje uit als de jongen op het voorplat. Jasper heeft zelfs lang haar, en Roderik is blond. Wanneer een fotoshoot voor een boek als dit moeilijk ligt bij jongeren om te gaan poseren, mag je misschien niet kieskeurig zijn, maar toch: werk dan zonder foto? Toch blijft dit een boek waarvan je wakker ligt, of waarvan je nog dagen nadien loopt te glimlachen.
Jaspers vlinders / Johan Vandevelde.- Waasmunster : Abimo, 2006.- 208p.- 90 59322 78 9
*"Sabeltijgers" is volgens Van Dale ook juist.
zondag, juni 14, 2009
Het grote reisdagboek van Kika en Bob / Vincent Bal en Colette Bothof
Dit boek is geen verhaal, maar heeft wel uitgewerkte personages, wat mij betreft: zij het dan een beetje oppervlakkig. Hoewel. Kika woont in het Brusselse Waterloo, en haar kat, Tijgertje, zit vast op de kerktoren daar. Ze belt de brandweer, of die haar niet kunnen komen helpen om Tijgertje te bevrijden. Maar dan, wanneer brandweerman Bob in de weer is om Tijgertje te bevrijden, en Kika daar staat op te kijken, worden beiden opgezogen, en vertrekken ze op wereldreis…
Dat zuigeffect had trouwens voor mij niet gehoeven, dat had men evengoed kunnen uitwerken, dat de wereldreis een geloofwaardiger begin had gehad.
Dit boek is opgevat als schrift, reisverslag, fotoboek. En wel met alles erop en eraan. Je komt ogen te kort om alles te zien, en alles te lezen. Ook de poes Tijgertje is niet maar één katje… (p.9: ik tel in één kat, drie katjes.) Het is ook te zien dat dit schrift veel heeft meegemaakt tijdens de wereldreis: vlekken, plakband waarmee foto’s vastzitten, getekende lovertjes met balpen, … Dit boek biedt kinderen een antwoord op Veelgestelde Vragen, over: hoeveel inwoners telt Mexico? Hoever zitten we van Waterloo af? Wat eten Mexicanen? Ik zei het al: je komt ogen tekort. Post-its, die iets moeten duiden, zijn duidelijk in schrijfmachineschrift gedrukt. Het dagboek moet het “geschrift” van Kika weergeven, denk ik. Dat is wel leuk, maar niet altijd even duidelijk. Je merkt ook dat het “gedrukt” is, en zo komen de letters vaak boven de lijntjes in het schrift uit. Maar het leuke is: je hebt wél personages. Kika is de kleine heldin, die alles durft, terwijl Bob haar een heel klein beetje moet leiden: hij is ouder, maar wel haar beste vriend.
De ijsberen in Groenland (p68), en eigenlijk alle dieren, zouden wat mij betreft wel iets meer “dier” mogen geweest zijn. Nu lijkt het erop dat men een stripverhaal heeft willen maken. Een krokodil in Australië: wordt eerst booskijkend afgebeeld (p.39), dat beeld heeft iedereen nu eenmaal van een krokodil, maar later blijkt zij afgericht en heel lief. (Hé?) Maar ik vond vooral het gegeven van “ik wil een echt schrift maken, met vlekken en alles wat erbij hoort (ezelsoren, plakband)” een heel geslaagd gegeven. Dit boek laat kinderen op een leuke manier kennismaken met de wereld. Jammer van het begin, dat echt onnozel overkwam, en niet had gehoeven.
Het grote reisdagboek van Kika en Bob / Vincent Bal & Colette Bothof.- Tielt : Lannoo, 2007.- 91p.: ill.- ISBN 978 90 209 7441 6
Dat zuigeffect had trouwens voor mij niet gehoeven, dat had men evengoed kunnen uitwerken, dat de wereldreis een geloofwaardiger begin had gehad.
Dit boek is opgevat als schrift, reisverslag, fotoboek. En wel met alles erop en eraan. Je komt ogen te kort om alles te zien, en alles te lezen. Ook de poes Tijgertje is niet maar één katje… (p.9: ik tel in één kat, drie katjes.) Het is ook te zien dat dit schrift veel heeft meegemaakt tijdens de wereldreis: vlekken, plakband waarmee foto’s vastzitten, getekende lovertjes met balpen, … Dit boek biedt kinderen een antwoord op Veelgestelde Vragen, over: hoeveel inwoners telt Mexico? Hoever zitten we van Waterloo af? Wat eten Mexicanen? Ik zei het al: je komt ogen tekort. Post-its, die iets moeten duiden, zijn duidelijk in schrijfmachineschrift gedrukt. Het dagboek moet het “geschrift” van Kika weergeven, denk ik. Dat is wel leuk, maar niet altijd even duidelijk. Je merkt ook dat het “gedrukt” is, en zo komen de letters vaak boven de lijntjes in het schrift uit. Maar het leuke is: je hebt wél personages. Kika is de kleine heldin, die alles durft, terwijl Bob haar een heel klein beetje moet leiden: hij is ouder, maar wel haar beste vriend.
De ijsberen in Groenland (p68), en eigenlijk alle dieren, zouden wat mij betreft wel iets meer “dier” mogen geweest zijn. Nu lijkt het erop dat men een stripverhaal heeft willen maken. Een krokodil in Australië: wordt eerst booskijkend afgebeeld (p.39), dat beeld heeft iedereen nu eenmaal van een krokodil, maar later blijkt zij afgericht en heel lief. (Hé?) Maar ik vond vooral het gegeven van “ik wil een echt schrift maken, met vlekken en alles wat erbij hoort (ezelsoren, plakband)” een heel geslaagd gegeven. Dit boek laat kinderen op een leuke manier kennismaken met de wereld. Jammer van het begin, dat echt onnozel overkwam, en niet had gehoeven.
Het grote reisdagboek van Kika en Bob / Vincent Bal & Colette Bothof.- Tielt : Lannoo, 2007.- 91p.: ill.- ISBN 978 90 209 7441 6
Wiebelkont / Marijke Umans en Riske Lemmens
Bet’s moeder heeft vijf kinderen. Eén ervan, de jongste, zou volgens de buurvrouw een jongen moeten geweest zijn. Ze had daarvoor gependeld, meldt het boek. Maar Bet was (net als Sander, wat mij een beetje vreemd overkomt) een meisje. Maar wel een wildebras, zodat iedereen denkt dat het wel een jongen MOET zijn. Hiervan komt de titel “Wiebelkont”. Bet kan geen twee minuten stilzitten, en is meestal pijnlijk eerlijk. Zoals tijdens hun optreden met het zangkoor, wanneer ze ziet dat de directeur van het centrum wel een microfoon heeft, maar dat hij hem niet gebruikt. Dus vindt Bet dat ze dat gerust mag zeggen. Soms komt dit echter fout over op de ander, en dan krijg je een beetje gedonder, maar nooit zo dat je denkt “Ach, wat zielig”. Bet is wie ze is, en dat wordt ook door haar ouders gerespecteerd. Zij weten hoe ze met hun drukke Bet moeten omgaan, misschien zijn ze zelf wel een beetje druk in huis, maar je merkt wel dat zij de leiding hebben. Bet is geen Pipi Langkous, en dat is goed, er zijn helpende volwassenen rondom haar. Door het verhaal in de “Ik”-vorm te vertellen, vergoot de betrokkenheid bij de lezer. Ze krijgt onderandere van een oude meneer in haar flatgebouw, bij het paaszingen met haar vriendin Trien, twee kuikentjes cadeau, die ze mag houden, en die ze Pietje en Patje noemt. Ze gaan mee naar het buitenverblijf, waar Bet samen met haar vader een houten hokje timmert voor haar kuikentjes. Niemand vindt het gek dat Bet een beetje triest is, wanneer ze weer naar huis gaan, en ze haar kuikentjes moet achterlaten. (Beetje vreemd, vind ik wel: kuikentjes zonder een moederkip alleen achterlaten…) Het is kostelijk om te lezen hoe Bet en Trien zich optutten als paasklok, met een geel lint in hun haar. Bij het zingen bewegen ze hun hoofd eerst naar links, en dan samen naar rechts, als een echte paasklok. Je kunt het je als lezer levendig voorstellen. Grappig boek, dat goed geschreven is, maar waar de drukte van het gezin van af spat. Je wordt er ietwat moe van. Krachttermen of versterkingen van woorden (knalhard, loeihard, …) komen niet voor, en dat komt het boek helemaal tengoede. Leuk.Wiebelkont / Marijke Umans ; Riske Lemmens.- Wielsbeke : De Eenhoorn, 2007.- 68p. : ill.- ISBN 9789058384102
Trouwen met Tanja / Bart Van Nuffelen en Klaas Verplancke

Het is de laatste dag in de kleuterklas en het is feest! Er wordt gedanst, zot gedaan en gelachen. Plotseling: een plakkerig handje en de vraag: “Wil je met me trouwen”? De vraag komt van Tanja, en het jongetje uit het boek weet niet wat hem overkomt. Vooral niet wanneer hij zomaar “ja” zegt. De hele zomer lang bedenkt hij hoe hij onder trouwen met Tanja uit kan komen.
Gelukkig is Stief er nog: Stief is anders: hij weet dingen waarvan de meeste andere kleuters nog nooit hebben gehoord, en hij heeft al echte borsten gezien. Maar niet die van zijn mama. Veel grotere. Stief zegt: “ik moet kakken” waar andere kleuters zeggen: “ik moet naar het toilet.” Zal het Stief zijn die het arme jongetje van zijn trouwplannen met Tanja moet af helpen?
Tanja is namelijk nogal griezelig. Of “De monding van de Nijl” “het Oeral” of “De monding van de Amazone” de kleuterdoelgroep al veel zeggen valt te betwijfelen, maar dat stukje is overslaanbaar, lijkt me.
Geestig, fris boek met felle kleuren en grote tekeningen. Op de kaft langs de binnenkant is met pen geschreven wat kinderen al erg lang doen met bloemblaadjes – maar hier met een balpen neergeschreven: “Ze houdt (of “hij” houdt, natuurlijk) van mij, niet van mij”. Dat wordt hier: “Ik trouw met Tanja ik trouw niet met Tanja”.
Op de eerste bladzijde komt Paul Van Ostaijen langs “Dag grote wereldbol, dag mama en dag papa. Dag broertje met de blokkendoos (…) Dag meneertje Marc met de stok, pok pok. Dag ventje met de bloem ploem ploem”.
We zien ook tekeningen, gemaakt met balpen, waarna ze uit ruitjespapier geknipt werden, lijkt het wel. Al die verschillende tekenstijlen nodigen uit om naar de prenten te blijven kijken. De personages in dit boek zijn fijn uitgewerkte individuutjes, waarvan Stief, ons hoofdpersonage (valt me nu pas op: hij heeft geen naam, hij wordt aangeduid met “ik”.
Maar de hamvraag blijft: zal er getrouwd worden, na de zomer?!
Gelukkig is Stief er nog: Stief is anders: hij weet dingen waarvan de meeste andere kleuters nog nooit hebben gehoord, en hij heeft al echte borsten gezien. Maar niet die van zijn mama. Veel grotere. Stief zegt: “ik moet kakken” waar andere kleuters zeggen: “ik moet naar het toilet.” Zal het Stief zijn die het arme jongetje van zijn trouwplannen met Tanja moet af helpen?
Tanja is namelijk nogal griezelig. Of “De monding van de Nijl” “het Oeral” of “De monding van de Amazone” de kleuterdoelgroep al veel zeggen valt te betwijfelen, maar dat stukje is overslaanbaar, lijkt me.
Geestig, fris boek met felle kleuren en grote tekeningen. Op de kaft langs de binnenkant is met pen geschreven wat kinderen al erg lang doen met bloemblaadjes – maar hier met een balpen neergeschreven: “Ze houdt (of “hij” houdt, natuurlijk) van mij, niet van mij”. Dat wordt hier: “Ik trouw met Tanja ik trouw niet met Tanja”.
Op de eerste bladzijde komt Paul Van Ostaijen langs “Dag grote wereldbol, dag mama en dag papa. Dag broertje met de blokkendoos (…) Dag meneertje Marc met de stok, pok pok. Dag ventje met de bloem ploem ploem”.
We zien ook tekeningen, gemaakt met balpen, waarna ze uit ruitjespapier geknipt werden, lijkt het wel. Al die verschillende tekenstijlen nodigen uit om naar de prenten te blijven kijken. De personages in dit boek zijn fijn uitgewerkte individuutjes, waarvan Stief, ons hoofdpersonage (valt me nu pas op: hij heeft geen naam, hij wordt aangeduid met “ik”.
Maar de hamvraag blijft: zal er getrouwd worden, na de zomer?!
Label(s):
5+,
grote verhalen voor kleine mannen,
prentenboeken,
vakantieboeken,
voorlezen
zaterdag, juni 06, 2009
Peter en de wolf: een muzikaal sprookje van Sergej Prokofjev
Peter en de wolf is dit jaar 73 jaar oud, want gecomponeerd in 1936. Van mij en zus, of zelfs van mijn ma en pa was toen helemaal nog geen sprake. 73 jaar, en nog altijd is er sprake van “Peter en de wolf” in ontelbare versies. De elpee-versie moet zowat de eerste zijn die ik ooit hoorde. Deze versie wordt vertelt door Ramses Shaffy, zowaar. Zelf hebben we hier thuis een versie in de kast staan, vertelt door prinses Irene Van Lippe-Biesterfeld en haar dochters, die elk een rol voor hun rekening nemen. Erg Hollands, maar zeer degelijk. Na “Peter en de wolf” kun je op deze cd Peer Gynth leren kennen. Peer Gynth, van de bergkoning en het ochtendgloren onderandere.Maar wat maakt “Peter en de wolf” nu zo ongelofelijk klassiek, zo klassiek dat elk kind vanaf een jaar of vijf het toch zou moeten leren kennen? “Peter en de wolf” is een sprookje met muziek. Elk personage wordt voorgesteld door een instrument, en dat gebeurt op voortreffelijke wijze, welke versie je ook in je handen of in je cd rek hebt. Wanneer je een fluit (Dwarsfluit? Blokfluit?) hoort, is dat het vogeltje, een vriendje van Peter. De klarinet beeldt de kat uit, de eend is de hobo, de fagot is Peters grootvader, en de pauken en de grote trom beelden de geweerschoten van de jagers uit, wanneer ze op de wolf afkomen, die op zijn beurt wordt uitgebeeld door de hoorns.
Peters rol, tenslotte, wordt gespeeld door alle violen (meldt de versie van Van Lippe-Biesterfeld, terwijl we het in de versie van Wim Opbrouck moeten doen met de strijkers.)
Ook nu, na al die tijd, merk ik bij mezelf dat ik, wanneer ik een instrument niet kan thuisbrengen, terug denk aan “Peter en de wolf”. Het orkest zorgt er ook voor dat je de personages ook echt kunt “zien bewegen” wanneer je de instrumenten hoort. Het verhaal stelt op zich niet veel voor: Peter woont met zijn grootvader in een huis met een grote tuin, aan de rand van het bos. Omat hij een ondernemend kereltje is, trekt hij alleen naar buiten, en daar komt hij kat, eend en vogeltje tegen. Maar opa is niet zo blij. Wat als er een wolf uit het bos komt? Maar dan kent opa Peter nog niet. Wanneer opa hem naar binnen stuurt, komt er nét als Peter binn
en in huis is, een wolf uit het bos. Een wolf met honger! De eend is niet snel genoeg, en wordt opgegeten door de wolf. In één hap. Het vogeltje en Peter willen de wolf met een list vangen…, terwijl de kat in een boom toekijkt.Het verhaal behoeft geen bewerking: niet in tekst, en zeker niet in muzikaliteit.
Toch is net het element “bewerking” (“oh! Kijk! Een nieuwe versie van “Peter en de wolf”) wat me redelijk grondig stoort in wat Opbrouck en de zijnen aanvingen met “Peter en de wolf”. Het is best ok wanneer je een nieuwe versie opneemt om het een beetje hipper te maken. “Eigentijdser” hoeft zeker niet. “Peter en de wolf” blijft na 73 jaar modern en fris. Dat je een “sprookjespolitie” (in knalroze en voor de mannen) opvoert wanneer je het verhaal wil gaan vertellen, zonder dat je de – noodzakelijk! – instrumenten hebt voorgesteld is ok. (Dat je de cd daarmee rekt tot daar aan toe) Die “Sprookjespolitie” is een rol voor Adriaan Vanden Hoof, die nog twee keer in het verhaal inbreekt. Zelfs een homo komt aan bod wanneer Opbrouck de hobo die de eend is (“ik hoor: homo!”), wil voorstellen. Dit hoefde dan weer niet. Maar homo’s opvoeren is blijkbaar hip. Veel erger is de “inbraak” in het verhaal wanneer Peter naar binnengaat, en er nét op dat moment de wolf uit het bos komt. Hier komt die sprookjespolitie even vertellen dat dat allemaal wat te toevallig is. Dat je de voorstelling van de instrumenten wat hipper wil maken: tot daar, maar blijf voor de rest van de loop van het verhaal af. Eigenlijk hoeven al die tierlantijnen over het voorstellen van de personages en de muziek ook niet, maar ik zei het al: tot daar aan toe. Dat het een jonge wolf is, die door alle emoties een beetje de kluts kwijt is (Peter heeft hem gevangen, de jagers wilden op hem schieten), en de jagers geen zin hebben om naar de kluts van de wolf te helpen zoeken: het hoeft ook niet. Niet alles moet leuk en hip, lijkt me. Toegankelijkheid voor kinderen? Is er al voldoende, en “Peter en de wolf” is mooi zoals het is, ook na 73 jaar. Wat me ook opviel is dat een klein jongetje even “nee! Niet schieten!” mag roepen, terwijl het voor de rest Opbrouck is die het verhaal vertelt. Ofwel geef je de hele rol van Peter aan dat kleine jongetje, of wel doe je met dat kleine jongetje helemaal niks, maar dus niet zoals het nu is met de “boek en cd”-versie van Lannoo. Helaas.
De man van de grote winkelketen wacht samen met mij wanneer de versie met Jan Decleir weer in de rekken staat. Het leuke is dat “Peter en de wolf” op deze manier wel fijn in twee afdelingen staat (maar of de – ahum – “minder toegankelijke versies” op deze manier nog zullen gevonden worden valt te betwijfelen): eentje met het boekje van Philippe Maes (met als cd verteller Wim Opbrouck dus) in de kinderafdeling boven, en de andere versies (eigenlijk, heel eerlijk: waar ze horen) in de afdeling Klassiek, beneden, onder Prokofjev, onder “Peter en de wolf”. Zo, nu hoeft u er niet meer zo erg naar te zoeken!
vrijdag, juni 05, 2009
verkiezingen '09
Binnenkort trekken we met z'n allen weer eens naar de stembus. Op Vertel Eens zal één dezer ook een boekenlijst verschijnen rond de verkiezingen, maar hier kunnen jullie alvast mijn eigenste eigenzinnige lijstje bekijken.

Wortels / Klaas Verplancke
Heuvelwachter Ries vindt op een dag op zijn heuvel een zaadje. Hij koestert het zaadje, geeft het water, sap en sop en soep, en veel later warmte, tegen de tijd die kou wordt. Maar wat onze heuvelwachter niet weet, is dat alles wat de grond gretig opzuigt, ooit weer wordt teruggegeven. Toch is het net dat wat gebeurt. Maar hier heeft Ries niet voor gekozen, en bovendien is hij slecht in delen… Nog steeds een pracht van een boek, misschien wel het mooiste uit mijn hele boekencollectie…
Vanwege de liefde / Edward van de Vendel en Klaas Verplancke
Hoe Tufje haar familie nu eenmaal ook niet zelf heeft gekozen, en veel liever bij de buren zou wonen…
Tommie en de torenhoge boterham / Pieter Gaudesaboos en Lorraine Francis
Tommie heeft honger, en heeft een gigantische keuze om zijn torenhoge boterham van beleg te voorzien. Maar of hij nu echt zin heeft in zijn torenhoge boterham?
Circus Pingies / Daan Remmerts de Vries
Dieren in dit verhaal bedenken dat ze samen een circusvoorstelling willen maken. Eentje waarin ze naar elkaar zullen kijken, en elkaar niet zullen opeten. Want kijken is leuk, en opeten past niet in dat plaatje: dan kunnen ze niet meer naar elkaar kijken. Zal het lukken?
Django heet Django / Edward van de Vendel en Lilian Brogger
Django is een ondernemend kereltje dat voor een dagje weleens anders wil heten. “Meneer” bijvoorbeeld. Wanneer zijn vader hem zegt dat hij bijvoorbeeld geen pakje sap mag, haalt ie er toch eentje uit de ijskast: hij heet nu immers geen Django meer… Maar of het zo zal blijven? Een boek over namen, maar vooral over een grappig klein jongetje, en hoe iemand zou heten als hij of zij een jongen, dan wel een meisje zou zijn. Of wanneer Django bijvoorbeeld een ooievaar zou zijn, of een boom. Of een ezeltje… Grappig, fris boek.
Voor Paulien / Paul Kustermans
1860: De 11-jarige Paulien moet haar broer gaan vervangen, die na een ongeval niet meer in de mijn kan werken…
De keuze / Karel Verleyen.
Jan-Willem is ernstig ziek. Hij heeft elke dag meer pijn, de tumor in zijn hoofd is aan de winnende hand. Met zijn vrienden praat hij over zijn naderende einde, en ook al is dit hard: hij wil hierover zelf beslissen…
Ik blijf in bed / Cees Rutgers
Roy beslist om na zijn ongeval in bed te blijven. Niemand, vindt hij, is ook verplicht om zijn verhaal door te lezen: leuk zal het toch niet zijn, als hij alleen maar in bed blijft.
Ik wou dat ik een pop was / Wally De Doncker en Harmen van Straaten
Een oude man wil, denkend in zijn huisje, best eens een pop zijn: misschien zouden mensen hem dan weer wél zien staan…
En ik vergat Negen schijfjes banaan van Pieter Gaudesaboos nog: een boek op rijm, over negen schijfjes banaan, opzoek naar een plekje om te slapen. Kijk gerust je ogen uit over de keuzes die zij maken en waarom ze die keuzes en geen andere keuzes maken!

Wortels / Klaas Verplancke
Heuvelwachter Ries vindt op een dag op zijn heuvel een zaadje. Hij koestert het zaadje, geeft het water, sap en sop en soep, en veel later warmte, tegen de tijd die kou wordt. Maar wat onze heuvelwachter niet weet, is dat alles wat de grond gretig opzuigt, ooit weer wordt teruggegeven. Toch is het net dat wat gebeurt. Maar hier heeft Ries niet voor gekozen, en bovendien is hij slecht in delen… Nog steeds een pracht van een boek, misschien wel het mooiste uit mijn hele boekencollectie…
Vanwege de liefde / Edward van de Vendel en Klaas Verplancke
Hoe Tufje haar familie nu eenmaal ook niet zelf heeft gekozen, en veel liever bij de buren zou wonen…
Tommie en de torenhoge boterham / Pieter Gaudesaboos en Lorraine Francis
Tommie heeft honger, en heeft een gigantische keuze om zijn torenhoge boterham van beleg te voorzien. Maar of hij nu echt zin heeft in zijn torenhoge boterham?
Circus Pingies / Daan Remmerts de Vries
Dieren in dit verhaal bedenken dat ze samen een circusvoorstelling willen maken. Eentje waarin ze naar elkaar zullen kijken, en elkaar niet zullen opeten. Want kijken is leuk, en opeten past niet in dat plaatje: dan kunnen ze niet meer naar elkaar kijken. Zal het lukken?
Django heet Django / Edward van de Vendel en Lilian Brogger
Django is een ondernemend kereltje dat voor een dagje weleens anders wil heten. “Meneer” bijvoorbeeld. Wanneer zijn vader hem zegt dat hij bijvoorbeeld geen pakje sap mag, haalt ie er toch eentje uit de ijskast: hij heet nu immers geen Django meer… Maar of het zo zal blijven? Een boek over namen, maar vooral over een grappig klein jongetje, en hoe iemand zou heten als hij of zij een jongen, dan wel een meisje zou zijn. Of wanneer Django bijvoorbeeld een ooievaar zou zijn, of een boom. Of een ezeltje… Grappig, fris boek.
Voor Paulien / Paul Kustermans
1860: De 11-jarige Paulien moet haar broer gaan vervangen, die na een ongeval niet meer in de mijn kan werken…
De keuze / Karel Verleyen.
Jan-Willem is ernstig ziek. Hij heeft elke dag meer pijn, de tumor in zijn hoofd is aan de winnende hand. Met zijn vrienden praat hij over zijn naderende einde, en ook al is dit hard: hij wil hierover zelf beslissen…
Ik blijf in bed / Cees Rutgers
Roy beslist om na zijn ongeval in bed te blijven. Niemand, vindt hij, is ook verplicht om zijn verhaal door te lezen: leuk zal het toch niet zijn, als hij alleen maar in bed blijft.
Ik wou dat ik een pop was / Wally De Doncker en Harmen van Straaten
Een oude man wil, denkend in zijn huisje, best eens een pop zijn: misschien zouden mensen hem dan weer wél zien staan…
En ik vergat Negen schijfjes banaan van Pieter Gaudesaboos nog: een boek op rijm, over negen schijfjes banaan, opzoek naar een plekje om te slapen. Kijk gerust je ogen uit over de keuzes die zij maken en waarom ze die keuzes en geen andere keuzes maken!
maandag, juni 01, 2009
Zo, het label is er!
Het label "Grote verhalen voor kleine mannen" is een feit. Waarschijnlijk zit er voor iedereen wel iets in dat hem kan bekoren. Maar ook meisjes kunnen deze boeken dan zeker lezen, of vragen om voorgelezen te worden. Welke boeken verdienen dit label nog, vindt u? Ik heb getracht om er een beetje vanalles in te stoppen, van eerste lezers tot ongeveer 10+.
grote verhalen voor kleine mannen
opmerkingen voor de poll kunt u hieronder kwijt...
grote verhalen voor kleine mannen
opmerkingen voor de poll kunt u hieronder kwijt...
Abonneren op:
Berichten (Atom)