Woensdag, 13 januari 2010.
Voor de krant “De Morgen” betekent dit “Uitgelezen” bij de krant. Groot, fel uitgevuld staat er “Het voorjaar 2010” op een groene achtergrond en iets wat je plantjesachtig zou kunnen noemen. Namen als Christophe Vekeman, Peter Verhelst, Thomas Claus, Erwin Mortier, Philippe Claudel, Albert Camus, Thomas Phynchon, Ian McEwan, E.L Docotorow, Henning Mankell, James Ellroy, Homerus, Cacitus, Carl De Keyzer, Chris De Stoop, David Van Reybrouck, Carlos Fuentes, Isabel Allende en Elsa Osorio moeten mijn nieuwsgierigheid prikkelen. Daaronder: “De leesvoorraad van 2009 is amper gedegusteerd of de uitgeverijen overstelpen ons alweer met glanzende folders waarin ze hun nieuwe letterenwaren uitstallen. Wat ligt er zoal in de etalage van de Nederlandse literatuur in het voorjaar 2010?
(Bron: de voorpagina van “Uitgelezen”, de boekenbijlage van De Morgen, 13 januari 2010)
Na dat laatste vraagteken zie ik Christophe Vekeman met “49 manieren om de dag door te komen”, Thomas Blondeau heeft “Donderhart” geschreven, Yves Petry schreef “De maagd Marino” en Oscar Van den Boogaard “Meer dan een minnaar”.
Begrijp me niet verkeerd, ik heb daar niks tegen. Noch tegen de Spaanse en Franse literatuur waarop men een blik werpt. En dat Henning Mankell met “De gekwelde man” een verse thriller afleverde: ik juich het toe.
Waar zijn echter de Kinder- en jeugdboeken? Ik weet namelijk dat het helemaal niet waar is dat die in het voorjaar 2010 niet verschijnen! Ik geef er gal van op, intussen, dat men ze gemakshalve omdat er “toch veel te veel verschijnt” of “omdat dat toch geen hond interesseert”, dan maar gewoon – zelfs dat niet – niet vermeldt! Hoe kunnen ouders in ’s hemelsnaam nog iets anders vinden dan wat in grote stapels in boekhandels ligt te grijnzen? De Geronimo’s en de Griezelbussen allerhande? “Kinderen weten zelf wel wat ze leuk vinden!” Je mag daar van mij gerust mee komen aanzetten, maar – en ik zit alweer op mijn stokpaardje - danku Jelle Van Riet en Klaas Verplancke – “Laat de smaak van kinderen niet primeren, of toch niet altijd. Kinderen houden ook van fluoroze kauwgom en plastieken sandaaltjes.” Of laat je je kind de hele dag door frietjes eten en snoepen omdat kindlief dat graag doet? Natuurlijk doen kinderen dat graag! Maar smaak vergt tijd en oefening. Oefening en tijd die je je leeskind MOET gunnen, af en toe zelfs een beetje mag opdringen. Want iedereen lijkt ervan overtuigd dat lezen en schrijven belangrijke vaardigheden zijn. Neefje E. kijkt intussen gretig in “Wij gaan op Berenjacht” en “1,2,3, ik tel de dieren die ik zie”. Of hij daar al iets van snapt? Waarschijnlijk niet. Maar of ik hem dan maar laat? No way! Hij kan de kleurtjes en de vorm van het boek maar al gezien hebben! Net zoals zijn mama hem witlof en zelfs pompelmoes voorschotelt. (En nee, pompelmoes vindt ie goor, maar zolang hij niet proefde, kon hij dat toch niet weten?)
Zo zou ik heel graag ook mensen zien, die hun kroost zo naar boeken zouden leren kijken. Er is niks mis mee om een boek helemaal niet goed te vinden. Maar ga me niet vertellen dat ouders, grootouders, en andere volwassenen geen boeken meer voor hun kroost uitzoeken. Nee toch? Zij mogen toch (ook) weten dat er nog andere boeken zijn naast Geronimo, Oomen en Van Loon? Ja toch?
Ik kan geen enkele reden bedenken waarom de Morgen zijn recensenten jeugdliteratuur wel lijkt op te sluiten. Wat ze doen met de Nederlandse, Spaanse, Angelsaksische literatuur en zelfs Non-fictie: korte overzichtelijke stukjes (dat moet ik hen nageven: het is een mooi vormgegeven bijlage, met frisse kleurtjes), kan perfect met de kinder- en jeugdboeken, en met Annemie Leysen en Patrick Jordens als gidsen door jeugdboekenland.
Ik weet het, ik zeur, ik zaag, ik ben zuur, maar ik kan niet anders.
Onderschat kinderen alstublieft niet. Ik heb het proefondervindelijk mogen vastellen met “Briek” (Gaudsaboos en Lesage) gisteren, en ik ging er zowaar van blinken.
Maar tussen al dat gezeur, zuur en gezaag gun ik u graag de ontdekking van Jaap Leest, een zeer puike Nederlandse site van journalist Jaap Friso. Redelijk jeugdboekengek, en op zijn site staat ALTIJD massa’s meer aan jeugdboeken dan in de krant. Maar ook hier geldt: alwéér het internet. Maar het siert toch, dat Friso minstens journalist is.
zondag 17 januari 2010
zondag 3 januari 2010
De Kleine Odessa / Peter Van Olmen
“Zou het niet geweldig zijn als er een stad bestond waar iedereen van boeken houdt? Waar alle inwoners beroemde schrijvers zijn? En waar de wereld uit boeken tot leven kan komen? Zo’n stad bestaat!” (…) Odessa is een nogal eenzaam meisje van twaalf, en woont in een huis, en haar moeder wil haar daar het liefst houden. Ze mag het huis niet verlaten. Maar Odessa zou Odessa niet zijn als ze die stomme regeltjes niet aan haar laars zou lappen. ’s Nachts zijn de daken haar vrienden, en de buitenlucht. Wanneer ze weer eens op een dak zit, gaat het mis… Waar fluiten naar een vliegend paard al niet toe kan leiden! Tot overmaat van ramp wordt haar moeder ontvoerd door vreemd uitziende wezens die op zwijnen lijken, en wordt Odessa achternagezeten door wezens met kapmantels aan… Ze verschanst zich in haar huis, en vlucht de bibliotheek, waar ze van haar moeder niet mag komen, in. Verwacht echter geen trut: ze heeft haar op haar tanden, en geen beetje! Omdat haar naam in de titel zit, wil dit niet zeggen dat alles als vanzelfsprekend naar Odessa zal leiden omwille van de titel is van het boek.
Ze leert Lodewijck Aquilla kennen, een Serinus Canarius (waag het niet om hem “mus” te noemen, oh nee!) met een grote mond en sigarenroker. Hij is een van de vele vogels die voor de post zorgen. Hij is het die haar erop wijst dat ze moeten maken dat ze wegkomen wanneer Odessa vertelt door wie ze achterna werd gezeten. Samen vluchten ze naar de enige boekhandel in de stad, die van Cornelius Cerebus. Hij herbergt een B.E.R.T.H.A, (Bekom Een Reis Tegen Het Antwoord), een houten deur met kuren, maar wel eentje naar een ander oord. Bertha’s kuren zorgen er mee voor dat dit boek op de meest deugddoende wijze van de laatste jaren, geloofwaardig blijft. Bertha gaat naar een verkeerde gang open, zodat Odessa en Lode A., zoals hij verder in het boek wordt genoemd, eerst een eind moeten lopen voor Scribopolis, de stad vol boeken en schrijvers, zal opdoemen.
Helemaal aan het begin van het boek bekroop me wel het gevoel dat de auteur zoekende was naar hoe hij zijn personages zou gaan benoemen: (…) duistere figuren in grauwgrijze kapmantels, die te zien aan hun kledij duidelijk niet van hier waren. Ze leken wel monniken van een middeleeuws genootschap. Hun kapmantels waren besmeurd en gerafeld, alsof de zonderlingen een lange reis achter de rug hadden. (…) Mensen waren het niet, maar wat dan wel? (…) De griezels hadden gelukkig geen aandacht voor haar. (…) (…) Het feit dat een bende griezelige monniken het boek wilde, maakte het nog geheimzinniger. Deze wezens, zo zal later blijken, lijken wat mij betreft wel een beetje op de Dooddoeners uit Harry Potter.
Naar mijn gevoel kwamen deze figuren een ietsje te snel naar voor in het boek, maar mijn bezwaren smolten geleidelijk helemaal weg. Nergens bekroop me het gevoel dat Van Olmen de weg van de minste weerstand kiest, of naar populariteit hengelt door wat populair is/was te gebruiken.
Dit boek zit boordevol verwijzingen naar andere boeken en beroemde schrijvers, en wel met verve en humor, maar nooit zomaar ergens tussenin gegooid. Bertha doet denken aan het schilderij dat dienst doet als toegang tot de torenkamer van Harry Potter en de zijnen, maar verwacht in “De Kleine Odessa” geen magie om de magie, die wordt alleen aangewend als dit het verhaal kan dienen. Dit boek heeft het helemaal: en de ambitie van de auteur om een boek vol boeken te stoppen: hij slaagde met verve. Want zouden al de auteurs en personages in dit boek niet gaan tegensteken? Hoe maak je van hen mensen van vlees en bloed zonder de bedoeling een biografie van de auteurs als Kafka, Dostojevski en Shakespear te schrijven? Door hen een rol in het verhaal te geven, en heel subtiel titels van hun boeken in je boek te stoppen. Of Kafka iemand te laten zijn die van regels houdt. Enzovoorts.
Wanneer Odessa bij de zusjes B. (Brontë) terechtkomt, vertellen zij haar bijvoorbeeld dat de wind door de wilgen waait. Ze hebben het ook over woeste hoogten. Of Herman Melville, de gekke bibliothecaris van de Scribopolisbieb verzucht: “Maar als jij een reusachtig wit beest ziet spoken tussen de rekken, wit van kop tot staart, probeer het dan niet zelf te vangen! Het is van mij!” En toch kun je al deze dingen lezen zonder te moeten bedenken: wat bedoelt de auteur hiermee? Al is het voor een ervaren lezer wel fijn om deze dingen op te merken.
Dit boek leest als een trein, en is toch zoveel meer dan pure ontspanning. Dit boek heeft alles, al besef ik dat dit klinkt als een reclamepamfletje.
Want wat de achterflap beloofd, word helemaal waar, al is het geen loze waarschuwing: Lees de achterflap NIET! Het verhaal wordt (alweer eens) al te sterk vertelt, en dat zou echt niet mogen. De stad vol boeken bestaat, en ze komt op een geweldige manier tot leven. De mensen in deze stad zijn beroemde schrijvers, en personages uit de pen van de schrijvers, en mythologische figuren als Orpheus en Eurydice. Hun verhaal komt ook aan bod, maar het boek wordt nergens belerend. Algauw zal Odessa merken dat de mensen uit Scribopolis bang zijn voor iets: de titanen vijzel is gestolen, en zonder titanen vijzel kan er geen muzenpoeder meer worden gemaakt, waardoor eten schaars zal worden: alles in deze stad komt namelijk uit boeken, en alleen met muzenpoeder kan men dit eruithalen. Als Odessa in Scribopolis aankomt, is ze vastbesloten haar moeder te vinden, en haar vader die ze nooit heeft gehad. Ze probeert om mee te gaan op expeditie naar het kasteel van Mabarak, die met Boekus, het boek der boeken, duistere plannen heeft - en met de titanen vijzel in zijn bezit is hij goed op weg om deze plannen ten uitvoer te brengen: Want al wat in Boekus geschreven staat, zal echt gebeuren. Maar alles wat Mabarak maakt, is een mislukking, zoals de Gnorks, die hij uit “In de ban van de ring” heeft willen halen. Eigenlijk zouden dit Orks moeten zijn. Gnorks zijn zwijnen met menselijke trekjes. De vergelijking “Hij krijste als een varken”, wanneer de vrouw met de zwarte leren broek zo’n Gnork in het vuur duwt, gaat dan ook niet op. Maar het boek moet het gelukkig niet van de vergelijkingen hebben.
Mensen in dit boek zijn ook echt mensen van vlees en bloed, er is geen actie om de actie, alles, alles dient het verhaal en houdt de lezer gekluisterd tot aan de laatste bladzijde, waarna die deels uit spijt dan maar het toemaatje met de personages die het boek rijk is, helemaal uitleest, om dan met pijn in het hart, te moeten bekennen dat het boek nu ECHT uit is.
De kleine Odessa : Het levende boek / Peter Van Olmen ; Nicole De Cock.- Houten : Van Goor, 2009.- 476p.: ill.- ISBN 978 90 475 0850 2
De kleine Odessa : Het levende boek / Peter Van Olmen ; Nicole De Cock.- Houten : Van Goor, 2009.- 476p.: ill.- ISBN 978 90 475 0850 2
zaterdag 2 januari 2010
De bibliotheek: een wereld van A tot Z...?
Rekken vol boeken wachten je op wanneer je de bibliotheek binnenloopt. De geur van al dan niet oud papier waaiert je neusgaten in.
En toch. Ik ga niet graag naar de bibliotheek, of toch niet “als vanzelfsprekend”, laat ik het zo stellen.
Ik heb kamers vol boeken, waar ik graag naar kijk, en af en toe mijn handen laat dwalen over ruggen. Tegelijk bedenk ik dan: van het merendeel van deze schatten wil ik nooit meer af. Natuurlijk: van sommigen denk ik: deze lees ik nooit meer, na één keer het boek te hebben gelezen. Terwijl ik van andere boeken bedenk: Deze boeken zou ik NOOIT in de bibliotheek lenen: eeuwig zonde om ze weer te moeten terugbrengen. “Van mij!” denk ik wel eens. Ik moet er niet aan denken dat ik bijvoorbeeld Toon Tellegen alleen uit de bibliotheek zou lezen, en wel in tegendeel. Toen ik “Ze sliepen nog” las, lag het boek een week voor het verstrijken van de uitleentermijn, uit de boekhandel, op mijn nachtkastje. Om onbeperkt, zonder te moeten rekening houden met de uitleentermijn in de dierenverhalen te kunnen bladeren, om onbeperkt dingen en steeds nieuwe dingen te ontdekken. Of om te overdenken hoe mooi het verhaal is over “elkaar missen”. Om er maar eentje te noemen.
Ik heb net weer zo’n boek uit, waarvan ik het tot tranen toe, geloof ik, jammer zou vinden dat ik het moet terugbrengen: “De Kleine Odessa”: een boek vol boeken en beroemde schrijvers en personages, ontsproten uit de pen van die schrijvers. Nee, echt, ik moet er niet aan denken. Over dit boek later meer.
Pieter Gaudesaboos heeft ook het talent om mij aan zijn boeken te binden, om net dezelfde reden: zijn boeken blijven vol verrassingen zitten.
Ik merk bij mezelf ook op dat ik een eigen boek aan een veel rustiger tempo lees dan een boek uit de bib. Dat moet snel, omdat ik het niet wil maken om een boete te moeten betalen voor het te laat terugbrengen van een boek. Ik geloof dat de bib voor mij een oord is van boeken die ik wel wil lezen, maar niet zo nodig hoef te hebben…
Met poëzie heb ik dat nog veel sterker, al is poëzie niet echt iets wat ik vaak koop. Maar als ik het koop, doe ik het wel van harte.
En toch. Ik ga niet graag naar de bibliotheek, of toch niet “als vanzelfsprekend”, laat ik het zo stellen.
Ik heb kamers vol boeken, waar ik graag naar kijk, en af en toe mijn handen laat dwalen over ruggen. Tegelijk bedenk ik dan: van het merendeel van deze schatten wil ik nooit meer af. Natuurlijk: van sommigen denk ik: deze lees ik nooit meer, na één keer het boek te hebben gelezen. Terwijl ik van andere boeken bedenk: Deze boeken zou ik NOOIT in de bibliotheek lenen: eeuwig zonde om ze weer te moeten terugbrengen. “Van mij!” denk ik wel eens. Ik moet er niet aan denken dat ik bijvoorbeeld Toon Tellegen alleen uit de bibliotheek zou lezen, en wel in tegendeel. Toen ik “Ze sliepen nog” las, lag het boek een week voor het verstrijken van de uitleentermijn, uit de boekhandel, op mijn nachtkastje. Om onbeperkt, zonder te moeten rekening houden met de uitleentermijn in de dierenverhalen te kunnen bladeren, om onbeperkt dingen en steeds nieuwe dingen te ontdekken. Of om te overdenken hoe mooi het verhaal is over “elkaar missen”. Om er maar eentje te noemen.
Ik heb net weer zo’n boek uit, waarvan ik het tot tranen toe, geloof ik, jammer zou vinden dat ik het moet terugbrengen: “De Kleine Odessa”: een boek vol boeken en beroemde schrijvers en personages, ontsproten uit de pen van die schrijvers. Nee, echt, ik moet er niet aan denken. Over dit boek later meer.
Pieter Gaudesaboos heeft ook het talent om mij aan zijn boeken te binden, om net dezelfde reden: zijn boeken blijven vol verrassingen zitten.
Ik merk bij mezelf ook op dat ik een eigen boek aan een veel rustiger tempo lees dan een boek uit de bib. Dat moet snel, omdat ik het niet wil maken om een boete te moeten betalen voor het te laat terugbrengen van een boek. Ik geloof dat de bib voor mij een oord is van boeken die ik wel wil lezen, maar niet zo nodig hoef te hebben…
Met poëzie heb ik dat nog veel sterker, al is poëzie niet echt iets wat ik vaak koop. Maar als ik het koop, doe ik het wel van harte.
Abonneren op:
Posts (Atom)