zondag 26 juni 2011

De smaak van zijn stem / Piet De Loof

Een zomerdag.  Andres' oudere broer ligt te zonnen onder de lindenboom in de tuin.  Er vliegt een ekster over, die een meesje in zijn bek heeft.  De ik-figuur van waaruit het verhaal verteld wordt, krijgt een naar gevoel.  En zijn gevoel bedriegt hem niet.  Andres is vertrokken met de fiets, naar een verjaardagsfeestje, maar zal niet meer terugkomen…

Met dat ik-personage, 12 jaar, is iets wonderlijks aan de hand: hij smaakt stemmen.  Zijn mama smaakt naar melk.  Soms zoet, maar sinds Andres er niet meer is, veel vaker waterachtig.  De jongen kan van iedereen die hij tegenkomt, een smaak benoemen.  Enkel de smaak van Andres’ stem kan hij niet benoemen: nat hooi?  Maar waar hij elke stem zou kunnen eten of drinken: nat hooi kun je niet eten of drinken.

Dan staat oom Marcus plots voor de deur van het huis waar alles anders is sinds de dood van Andres.  Waar mama vroeger erg lekker kon koken, waar de ik-figuur al van bij zijn geboorte lekkere etensgeuren wist te vinden, en daardoor gek is gebleven op lekker eten, en waar papa vroeger in de groentetuin werkte.  Daar komen nu alleen nog voorverpakte maaltijden uit de supermarkt op tafel, en wordt de lege stoel van Andres opgevuld door zijn teddybeer, die net boven de tafelrand uitkomt.  Oom Marcus neemt Andres broer mee naar zijn restaurant in Frankrijk, waar het verhaal een andere wending kan nemen, samen met Aravinda, zijn nichtje van 12.  In Frankrijk ontdekt de jongen ook de smaak van Andres' stem…

De Loof levert na “De cello van mevrouw Rosas” en “De schoonheid van Clara” opnieuw een erg gevoelig verhaal af.  Een verhaal over verlies, en hoe je daarmee om moet, of je dat nu wil of niet.  Een verhaal waarin eten een belangrijk thema is. 

Een persoonlijke noot, zo tussendoor: men zegt tegen iemand die iemand dierbaar verloren is, weleens dat hij of zij genoeg moet eten.  Want het is net dat, bij een groot verlies, dat het eerst verloren gaat.  Omdat alles dichtklapt.  Misschien is dat net wat het boek van De Loof tot zo’n sterk staaltje literatuur maakt: een verhaal over gemis én over eten en smaken.  Andres' broer lijkt in het restaurant, op het domein ergens in de Bourgogne in Frankrijk, los te komen, en durft eindelijk tegen Aravinda zeggen wat hij nog nooit tegen iemand heeft verteld: dat hij stemmen smaakt, en dat hij, nu Andres er niet meer is, het jammer vindt dat hij Andres smaak niet kan thuisbrengen.  Dat is ook al zo sterk: het woord dood komt in dit boek niet voor.

Net als in “De schoonheid van Clara” en  “De cello van mevrouw Rosas” speelt ook in “De smaak van zijn stem” klassieke muziek een rol.  Aravinda die op een orgel in een kerkje een stuk speelt waarbij Andres broer opeens heel erg aan hem moet denken, vertrouwt hij haar toe.  Dat stukje, vertelt Aravinda, was niet toevallig ‘Stèle pour un enfant défunt’   - Grafsteen voor een overleden kind. [Louis Vierne], die dit stuk ook componeerde voor een overleden kind, en na het spelen ervan, zelf overleed na een hartaanval, meldt “De smaak van zijn stem”.
“De smaak van zijn stem” is opgedeeld in korte hoofdstukken en speelt zich af in de zomer, om te eindigen in de volgende herfst.
Alle feiten en feitjes over eten, drinken en klassieke muziek zijn opzoekbaar en achterin het boek staat een recept voor rijstpap met de duurste specerij ter wereld.  In De Loofs dankwoord staan vijf hotelscholen die zich door “De smaak van zijn stem” lieten inspireren, op vraag van auteur en uitgeverij, en al deze elementen maken dit boek mee tot een erg rijk boek, waarin muziek, gevoelens en smaken de hoofdrol spelen.

De smaak van zijn stem / Piet De Loof.- Sint-Niklaas : Abimo, 2010.- 140p.- ISBN: 978 90 593 2674 3

maandag 13 juni 2011

Annie M.G Schmidt en ik...


Ik zit in de lagere school, en ik ben een letterkindje.  Een letterkindje dat om die reden nauwelijks cijfers kan lezen, en er nog veel moeilijker mee kan omgaan.  Dit misschien wel tot frustratie van de meester, en / of van mij.  Waarom kan ik niet rekenen?  Waarom dansen de cijfers op het bord, terwijl ze om overzichtelijk te zijn netjes naast elkaar horen, of netjes onder elkaar?  Ik kom er niet uit.
Gelukkig is er op school ook nog zoiets dat “taal” heet.  Verhaaltjes uit ons taalboek lezen.  Verhaaltjes die ik mij met de beste wil van de wereld niet meer kan herinneren.  Maar ik weet wel dat als ik Sam hoor, meteen aan een olifant moet denken, en dat Mies een blondharig kind is.  Maar zij komen nog van veel vroeger, Sam en Mies.  Uit de tijd dat ik nog niet kon schrijven, en mijn naam mocht “overtekenen”.  Dat kon ik nog net goed, toen.
Later, ik ben een jaar of elf, komt de tijd dat we gedichten van het bord, netjes in een schrift moeten schrijven, mét vulpen.  Omdat we dat moeten leren, schrijven met vulpen.  Dat schrift, dat heeft een etiketje, waarop “overschrijven” staat.   Gedichten overschrijven van het zwarte krijtbord, in ons “overschrijven” schrift.  Misschien was er daar wel al eens een versje van Anne MG Schmidt bij.  Ik weet dat niet.  Ik weet dat niet meer, beter gezegd.  Want je moest er je hoofd bij houden, bij dat overschrijven.  Of ik veel opnam van wàt er nu precies op het bord stond, behalve dat wat ik in mijn schrift schreef?  Geen idee meer.
We hadden waarschijnlijk ook een vak dat “expressie” heette, en daar moesten we gedichten naspelen, in een rollenspel, jawel.  Voor dat vak moesten we als huiswerk zelfs een keer (of twee?) een gedicht van buiten leren.  Ik herinner me dat ik in mijn schoolagenda (omdat ik die nu ik volwassen ben weer eens tegenkwam) een opmerking kreeg, dat ik mijn eerste drie strofen van een gedicht, niet had kunnen leren.  Baal!  Omdat ik misschien veel liever televisiekeek, of in de speelkamer zat te spelen, misschien.
Later, de lagere school ligt bijna lichtjaren achter mij.  Maar die school, ik draag ze nog steeds een heel warm hart toe.  Ik adem intussen letters en boeken in en uit, en waarschijnlijk zit er in alles wat ik zeg, wel ergens een boektitel verscholen.
In de kast onder de trap vind ik “Wiplala” van ene Anne MG Schmidt.  Annie MG Schmidt, waarvan ik weet dat ik een artikel las in Humo, het moet 1995 geweest zijn, na haar overlijden.  Ik vind Wiplala erg leuk, maar zonder meer.  Ik ken Pluk, waarvan ik als boekenminnend mens moet weten wie dat ook weer is.  Ik zie de verfilming van Pluk van de Petteflet, en ben verkocht, na het zien van deze heerlijk ontwapenend mooie film.  Ik zie de verfilming van “Minoes” en vind dat even leuk en boeiend.
En dan gaat het kleine deurtje naar het verleden plotseling weer open, wanneer “Ziezo, de 347 kinderversjes” van Annie verschijnt, en ik dat boek, met illustraties van onderandere Carl Hollander, Jan Jutte, Mance Post, en de onmisbare Fiep Westendorp opensla.  Plotseling weet ik waar de gedichten in onze schrift, die “overschrijven” heet, vandaan komen, of welke gedichten ik als huistaak  moest leren.  Er is een gedicht dat “De heks van Sier-kon-fleks” heet, met bovenaan dat gedicht een illustratie van een heks op een bezemsteel. (een illustratie van Fiep Westendorp.   En plots kijk ik naar de muur in mijn kamer, waaraan een heks op een bezemsteel zit, zelf gemaakt, met restjes stof, zilverfolie, en aardappelstempels.  Misschien is zij wel gebaseerd op dat gedicht.  Gemaakt in de les handwerken.  En er is een gedicht dat “Trap is weggewaaid” heet, waardoor ik me prompt weer in de “grote zaal” bevindt, met mijn klas, en waar we ons best doen om dat gedicht op te zeggen, of was het in toneelvorm te gieten, in de les “expressie”.  En toch.  Nu, jaren later weet ik als boekminnende mens de naam van Annie MG Schmidt op die gedichten te plakken, omdat ik vind dat mensen MOETEN weten wie wat schreef.  Maar ik herinner me echt niet of we op school, bij het overschrijven, of bij het leren van een gedicht om er toneel van te maken, ooit hoorden of de gedichten al dan niet van ene Annie MG Schmidt kwamen.   Net zomin als ik wist dat “De Appelmoesstraat is anders” een boek was van Joke van Leeuwen  – dat toen ik zes jaar was een kampthema was bij de Kapoenen.  Dat boek kwam ik ook weer een aantal jaar later terug tegen in de bib, en ik wilde ’t lezen omwille van de titel.  Omdat ik me die titel herinnerde.  Het was de kreet op kamp, om ons stil te laten worden.  Echt waar.  Niet omdat het een boek van Joke van Leeuwen was, want dat wist ik niet.  Dat zijn dingen die je oppikt als je als volwassene kinderen van nu met boeken in contact wil brengen.  Nu vind ik het als volwassene belangrijk om kinderen mee te geven wie welk boek heeft geschreven, maar ik denk er nu wel vaak aan terug, dat ik dat als kind volgens mij helemaal niet hoefde te weten.  Ik genoot van de verhalen, en zie mezelf nog zeuren tegen mijn moeder, die onvermurwbaar bleef, als het verhaaltje van “Honkie en Ponkie” uit was, en ze vond dat we moesten gaan slapen, en ze dus geen tweede verhaaltje over “Honkie en Ponkie” voorlas, of een van Pinkeltje, en Pinkeltje, dat was de eerste boekenreeks waarvan ik meteen wist dat het een boekenreeks van Dick Laan was.  “Pinkeltje van Dick Laan”, dat was net zo gewoon als boterhammen met chocopasta en een glas melk.  Andere boeken waren alleen titels.
Misschien is volwassen worden toch niet altijd zo slecht, want nu weet ik dus wél wie “De Appelmoesstraat is anders” schreef en tekende, weet ik dat Annie MG Schmidt dit jaar 100 zou geworden zijn, en dat “Honkie en Ponkie” een boekenreeks over kabouters is van Jac Linders.  Nu ben ik met hart en ziel een boekenminnend mens die alles wil weten, en vaak een wandelende encyclopedie wordt genoemd, en best blij is met die titel.
En dat Bart Moeyaert toen ik amper 13 was, het licht, het vuur voor lezen defintief heeft aangewakkerd en aangestoken, ik geloof dat ik dat al een keer schreef.

woensdag 8 juni 2011

Leve de regionale televisie!!!

Gisteren kwam ik tijdens het zappen terecht op onze regionale televisiezender, waar “Onder Cover” net begint.  Als lettervreter kijk ik – helaas misschien – niet vanzelfsprekend naar de regionale televisie.  Ik heb dan ook geen “vaste afspraak” met het boekenprogramma dat “Onder Cover” is, gepresenteerd door Michael De Cock, en soms vind ik dat eigenlijk jammer.  Want ik loop wel te roepen en te tieren, én te zeuren dat de openbare omroep verzaakt om deftige boekenprogramma’s te maken, of een uitstekend programma als “Uit de kast”, ooit, na één seizoen al af te voeren, omdat het programma – euhm – tja – wat eigenlijk?  Niet voldeed?  Terwijl dat programma zelfs de meest “anti-lezer” aan zich wist te binden?  Liet zien dat boeken niet altijd een verhaal moesten bevatten, maar dat mensen de kans gaf om ook dat éne kookboek uit een jeugd, of een vriendenboekje uit eenzelfde jeugd, te tonen.
 
Maar goed.  “Onder Cover” dus.  Laat Michael De Cock als presentator van dat programma, ook als schrijver al een en ander op zijn palmares hebben.   Denken we aan “Odysseus of de lange weg naar huis”, om het eerste boek uit zijn reeks, die reeds drie boeken telt, te noemen.  De reeks heet “Kleine Klassieken”, en ze zijn uitgegeven bij Davidsfonds /infodok.  Alle boeken bevatten ook een cd met hoorspel van de boeken.  Ook van deze cd’s is grondig werk gemaakt.   Klap op de vuurpijl: de boeken zijn geïllustreerd door Gerda Dendooven.  En nee, we zijn niet klaar, De Cock schreef ook al boeken voor jongere kinderen.  De Cock is, alsof het niet ophoudt, ook artistiek leider bij ’t Arsenaal, het vroeger Mechels Miniatuur Theater.
Om u maar te zeggen dat Michael De Cock als presentator van “Onder Cover” helemaal op zijn plaats is om dit uitstekende programma te presenteren.  Het programma duurt misschien, misschien zelfs korter, een kwartiertje.  In dat kwartiertje gisteren waagde De Cock het niet om af te sluiten met jeugdboeken, zoals dat wél vaak in de boekenbijlagen van de krant zo is, op de laatste bladzijde een kerkhofje met aankondigingen met kinder- en jeugdliteratuur.  Maar hierover is al genoeg geweend en gegild – maar men kan daar als jeugdboekminnende mens niet lang genoeg of hard genoeg om blíjven gillen.  Zeg dat ik het gezegd heb.  Nee nee: na de aankondiging, vanuit het Felix Pakhuis in Antwerpen, over wat er in zijn programma zou zitten, en wie zijn gast zou zijn, kwam Annie MG Schmidt zowaar als éérste aan de beurt, en kwam Gerda Dendooven, zeer begeesterd vertellen over wat Schmidt met haar gedaan had, en wat ze nog deed.  Dit naar aanleiding van “100 X Annie”.  In 2011 is het namelijk 100 jaar geleden dat deze Grande Dame, die een late schrijversroeping had - ze was al dertig toen ze debuteerde -  geboren werd.
Na een item van vijf minuten, het leek langer – en in dit geval is dat “het duurt lang!” alleen maar als positief op te vatten -  kwam Michael Vandebril, de coördinator van Antwerpen Boekenstad, vertellen wat het Felix Poetry Festival 2011 te bieden had.  Na dit item kregen we enkele korte flitsen rond boeken, die eerder als aankondiging kunnen gezien worden, en mocht Bart Moeyaert met zijn dagboek de uitzending afsluiten.  Ziet u nu dat een boekenprogramma niet duf, niet saai hoeft te zijn, en dat je daar ook jeugdboeken in kunt aanbrengen?  Ik wel.  Maar u wist dat natuurlijk ook al.

(2014: Under Cover bestaat intussen helaas niet meer)