zaterdag 31 december 2011

De band en de meiden / Bies van Ede

Ti speelt gitaar in een bandje dat voorlopig nog geen naam heeft, en geen drummer. En zonder drummer kunnen ze eigenlijk niet optreden. Bovendien zet Martin, Ti’s muziekleraar, de lessen stop. Hij wil het namelijk met zijn band Gemini, helemaal maken in Japan. Nu zal Ti het optreden wel helemaal kunnen vergeten. En waarom spookt Aïda nog steeds rond in Ti’s hoofd?
Ti’s leven bestaat uit school, muziek en meiden. Meiden op school, Carly en haar vriendin Merrit, die met haar rode haar onmiddellijk indruk maakt op Ti. Thuis zijn er Lies en Sara, zijn twee oudere stiefzussen, en hun leven bestaat uit uitgaan en jongens. Van Ede schetst hen vlak, maar maakt geen dellen van hen. Pépé, de broer van Carly (Hoewel het omgekeerd moet: “Carly is mijn zus, ik ben ouder!”), gaat uit met Ti’s stiefzussen! Ook iets wat Ti liever niet ziet gebeuren. Want als het mis zou gaan tussen hen, zou Pépé misschien ook liever niets meer met de band te maken hebben, omdat Lies en Sara Ti’s zussen zijn! En dan zouden ze hun drummer alweer kwijt zijn.
Tussen alle muzikale perikelen door, waart Aïda door “De band en de meiden”. Heel langzaam kom je te weten waarom Ti aan het begin van het boek over haar gedroomd heeft, en waarom het niet kan dat zij op Ti’s klasgenoten van nu zou lijken. Dit gegeven geeft diepgang aan het verhaal, net als de body die van Ede zijn personages meegeeft. Ti zit er namelijk weleens mee in over waarom zijn moeder is weggegaan. Zou dat zijn schuld zijn? Een moeder gaat toch niet voor altijd weg omdat Ti, toen hij vijf was, in de fotostudio niet deed wat zijn moeder van hem wilde? Met zijn twijfels kan hij altijd bij zijn vader terecht.
Wat “De band en de meiden” tot een sterk verhaal maakt, is dat van Ede niemand zwart/wit portretteert, ook niet de moeder die als fotomodel werkt, en van wie Ti al die tijd weinig of niks meer heeft gehoord. Wanneer Ti haar opmerkt tijdens hun optreden, volgen er geen Amerikaanse filmtoestanden: moeder en zoon vliegen elkaar niet in de armen. Zijn vader is geen held die samenwoont met een boze stiefmoeder, en Ti heeft geen twee boze stiefzussen bij: er is hoogstens een beetje een generatiekloof tussen hen. Ti is 12, terwijl Lies 19 is en zich erg volwassen voelt. Ti’s vader werkt voor een reclamebureau en hij dreigt een belangrijke, zo niet zijn belangrijkste klant kwijt te raken. Ook dat zorgt voor de nodige twijfels.
“De band en de meiden” is in hoofdstukken opgedeeld volgens de opbouw van een liedje: een intro, enkele maten, (één, twee, drie), een break, een refrein, een solo en wat er nog in een lied voorkomt. “De band en de meiden” zit vol muziek, van ondermeer Anastacia en Coldplay.
“De band en de meiden” is een boek uit de Lifereeks van uitgeverij Holland, en kreeg een cover mee die bij het verhaal past. We zien iemand met een elektrische gitaar, met een paar groupies aan zijn voeten.
Bies van Ede schreef met “De band en de meiden” een luchtig verhaal waarin toch voldoende diepgang zit, die van het boek dat ietsje meer maakt.

De band en de meiden / Bies van Ede.- Haarlem : Holland, 2011.- 122p.- ISBN 978 90 2511 168 7

vrijdag 30 december 2011

Boek twee: De Wereld

 

Boek 2: "De wereld" (2007)

Met Boek Eén van Confidenties aan een ezelsoor maakten Frank Adam en Klaas Verplancke furore in De Standaard Magazine. In Boek Twee, dat eerder in de boekenbijlage van De Morgen verscheen, gaan ze verder op hetzelfde elan.

Een hedendaagse Candide. Een bestiarium van de moderne mens. Een absurde, melancholische, filosofische, kritische én stoute catalogus van de condition humaine, zonder moralistische ondertoon.’ (De Standaard der Letteren)

‘Even hilarische verhalen als in Boek Een. Heel grappige en erotische tekeningen… een tuin der lusten. Een ezel met één oor verovert Vlaanderen!’ (Radio 1)

‘Pittige en provocerende hedendaagse parabels, niet gespeend van grote vragen en gevoelens. Ingetogen en melancholische vertellingen, uitzinnige breugeliaanse taferelen. Een zoektocht naar het geluk die de logica van een lucide droom lijkt te volgen.

Ondanks de fabuleske en soms spirituele ondertoon verwijzen de ‘Confidenties’ indirect ook naar een maatschappelijke werkelijkheid. Oorspronkelijk verschenen als kroniek bij de boekenbijlage van ‘De Morgen’, vormen ze nl ook een alternatief journalistiek dagboek, met personages die in hun vaagheid ook een waanzinnige actualiteit oproepen waarin infantilisering, depressie en egoïsme, maar evengoed de behoefte aan menselijke warmte welig tieren.’ (De Leeswolf)

‘Frank Adam is erg sterk op de korte baan en deze filosofisch getinte confidenties zijn uitstekend in balans: ze snijden wezenlijke thema’s aan, zijn vlijmscherp van taal en redenering, en ongeremd cynisch in de afwikkeling.’ (Biblion)

‘Het tweede boek van Confidenties aan een ezelsoor, met opnieuw prachtige tekeningen van Klaas Verplancke, bewijst dat de ezel nog niet uitgeteld is.’ (Het Nieuwsblad)

‘Confidenties aan een ezelsoor’ leverde met Boek Twee alweer een bibliofiele uitgave op’ (Exit Cultuurmagazine)

dinsdag 27 december 2011

De mooiste zomer van mijn leven / Karen Dierickx

Juni 1914. Rosalie werkt als kindermeisje bij Madame Lily en Meneer Jean-Paul. Op een dag wordt ze echter bij hen ontboden, en ze vreest dat ze niet langer meer voldoet als kindermeisje. Dit is echter totaal niet waarvoor Madame Lily haar laat roepen: wel om samen met haar en met Princesse, het “kind” waarvoor ze moet zorgen, zijnde de hond van mevrouw, drie maanden vakantie aan zee door te brengen. Rosalie is meteen enthousiast, ze is nog nooit aan zee geweest, en ze kent ze alleen van verhalen. Ze is er algauw van overtuigd dat ze de mooiste zomer van haar leven zal beleven. Maar België zindert, Wereldoorlog I staat op het punt uit te breken.
Wat volgt, is een warm zomers verhaal, met echte vakantiesfeer, hoewel Rosalie natuurlijk wel voor Princesse moet zorgen. Zij is een Afghaanse windhond, en Madame Lily wil dat zij elke dag geborsteld wordt, na haar wandeling. Rosalie ontdekt wat het is om verliefd te worden, maar kan dat helemaal niet plaatsen. Waar komen al die mieren in haar bloed vandaan, als ze Friedrich, een knappe Duitse jongeman, in de duinen voor het eerst ontmoet? Haar Tante heeft haar meermaals op het hart gedrukt dat ze maar best ver van de jongens kan blijven, ze zijn gevaarlijk.

Samen met Ernestine en Noëlla, een babbelziek meisje dat eveneens in de vakantievilla aan zee werkt Rosalie voor de mensen die in Villa Aurore hun vakantie doorbrengen. Behalve Madame Lily maken Meneer Victor, Madame Louise en Meneer Edgard, Rosalies vakantie compleet. Al komt vooral meneer Edgard slechts sporadisch in het boek voor. Maar als hij dan al in het boek voorkomt, dan wel meteen grondig, want meneer Edgard schildert Madame Lily…

Karen Dierickx schetst een levendig portret van een meisje dat instaat voor de zorg van een hond van rijke mensen in 1914, voor jongeren van nu. Echter zonder te vergeten dat haar ze haar verhaal bijna 100 jaar geleden situeert. Verliefd zijn doe je dus niet halsoverkop, en zoenen in het openbaar is onzedig. Ook je eigen lichaam zie je best niet bloot, tenzij je dat later gaat biechten in de kerk. Kindjes komen van een kindjesboot, is wat Rosalie altijd is voorgehouden. Hierom wordt ze door Noëlla ronduit uitgelachen: niet iedereen werd “dom” gehouden. Noëlla mag dan al een beetje een viswijf genoemd worden, dom en onwetend is zij zeker niet. Dierickx trekt alle registers open. Rosalie mag dan al totaal onwetend zijn, zelfs op het naïeve af, ze ontdekt haar lichaam wel, als ze merkt dat ze verliefd is op Friedrich. Tot ze hem met een meisje ziet, en het liefst nooit meer aan hem wil denken, en ze probeert hem zoveel mogelijk te ontlopen. Friedrich snapt er echter niets van: zijn Schwester heeft hulp nodig, en dus biedt hij haar die. Maar Rosalie weet helemaal niet wat Schwester wil zeggen. Dit ontlokt de lezer een gevoel van medeleven met het prille koppeltje, en je kunt niet anders dan het niet-begrijpen van de Duitse taal van Rosalie uit, vergeven: “Wat wil Schwester zeggen?” Al is het voor Rosalie niet zo vanzelfsprekend om dat aan Friedrich te vragen. Dierickx weet bovendien verduiveld goed te beschrijven hoe het is om als jong meisje verliefd te zijn.

Aan het eind van elk hoofdstuk creëert Dierickx een dreiging: als Rosalie het huis van Madame Lily en Meneer Jean-Paul verlaat, zal ze haar tante nooit meer terugzien, maar dat weet ze dan nog niet. Of er beweegt aan het eind van een hoofdstuk een deurknop, die de lezer dwingt tot verderlezen. Ook de dreiging van de Eerste Wereldoorlog, die steeds dichterbij komt, is altijd aanwezig.

Het geluk tussen Rosalie en Friedrich is van korte duur, als de oorlog daadwerkelijk uitbreekt, en Duitsland de oorlog verklaart aan België. Dan is het nog minder vanzelfsprekend dat Rosalie en Friedrich verder kunnen gaan, samen.

Ook Meneer Victor is niet te vertrouwen, zoals Rosalie maar al te gauw zal ontdekken. Het mag dan al een mooie jongen zijn, van wie Rosalie denkt dat hij de liefde van haar leven zou kunnen zijn: niets is wat het lijkt.

Karen Dierickx schreef met “De Mooiste zomer van mijn leven” een heel ander verhaal dan haar eerste boek “Een teken van leven”, dat zich afspeelde in Brazilië, en over kindslaven gaat. In die zin staat “Een teken van leven”misschien verder van de lezers af, en komt “De mooiste zomer van mijn leven”,ook al is Wereldoorlog I straks 100 jaar geleden, dichterbij de lezers, temeer omdat dit boek in België speelt, en Wereldoorlog I net in België ongemeen hard was. Al komen de gruwelen van deze oorlog nog niet aan bod in “De Mooiste zomer van mijn leven”. Het blijft gewoon een erg mooi, zeer levendig portret van een meisje dat met vallen en opstaan de liefde ontdekt, en weer moet loslaten. Jammer dat het boek nog een vervolg krijgt. Het boek eindigt letterlijk met“wordt vervolgd.” Ik hou niet van wachten, en ik wil maar wat graag weten hoe het Rosalie verder vergaat, nadat ze samen met Princesse het huis uitgaat. Alle andere leden van de familie vluchten halsoverkop naar Engeland. Rosalie beslist dat ze terug naar haar ouders wil.

Zelfs de cover van dit boek is zorgvuldig gekozen. Clavis-covers mogen dan al een beetje eenheidsworst zijn, met in grote kapitalen en witte balken, groot gedrukt de titel, met in schrijfschrift letters de naam van de auteur, de poppies, zoals te lezen in het gedicht “In Flanders Fields”, sieren niet toevallig de cover van dit boek.

De mooiste zomer van mijn leven / Karen Dierickx.-Hasselt: Clavis, 2011.- 148p.- ISBN 978 90 90448 1606 8 - 13+

De Confidenties op de planken



EROTISCHE FABELS (2010)

tekst en spel: Frank Adam

muziek: Johan De Smet

muzikale leiding: Edwig Abrath

uitvoering

Johan De Smet: keyboards en zang

Edwig Abrath: keyboards en zang

Les Voix Erotiques de la Belgique

An Anthonis: zang en klarinet

Britt Van Alsenoy: zang

Birgit Langenhuysen: zang

regie: Rik Teunis

dramaturgie: Johan De Smet

vormgeving en techniek:

Fabrice Commeyne

Nico Vanderostyne

Een mis vol onkuisheid.

Een roesopwekkend muziekritueel in de geest van de Decamerone en de Canterbury Tales, in een regie waar het testosteron afspat. Briljant getoonzet en vocaal onberispelijk.

Zonder ironie, maar schalks breit Adam zijn verhalen aan elkaar. Steeds neigend naar het scabreuze, met nauwelijks verholen pret in het stoute.

In opdracht van De Morgen schreef Frank Adam een reeks erotische fabels, ook nu weer geïllustreerd door Klaas Verplancke en intussen verschenen als Boek Drie van Adams literaire cyclus Confidenties aan een ezelsoor. Met deze alom geprezen Vlaamse Kamasutra stapte de auteur-theatermaker opnieuw de scène op.

Door Adams geweldige vertelexpressie werken zijn filosofische bespiegelingen, erotische tips en haarscherpe close-ups even beklijvend en hilarisch als zijn spannende fabels zelf.

Op scène zien we Adam als hogepriester van de erotiek die zijn toehoorders niet alleen wil prikkelen maar hen ook wil inwijden in de tuin der lusten, een parodie van de seksgoeroe.

De ironie in Adams contes philosophiques is nooit ver weg, maar echt vrijblijvend zijn ze nooit. Ook al worden de erotische rekwisieten en de seksstandjes bij naam genoemd, toch weet Adam dat de retorica erotica alle vormen van penetratie overtreft. ,,Geen doeltreffender en geen hygiënischer glijmiddel dan de welsprekendheid.’’


Het zinnenprikkelende concept van Rik Teunis en de lustopwekkende muziek van Johan De Smet slepen de toeschouwer mee in een erotisch continuüm. De vocale verleidingskunsten van Les Voix Erotiques de la Belgique, drie begeerlijke muzen, houden hem tijdens de nacht uit zijn slaap.

Na de voorstelling kunnen de erotische fabels van Frank Adam verder worden verkend aan de hand van het boek en kunnen de getekende erotische rebussen van Klaas Verplancke worden ontcijferd in de foyer.

Speellijst:

januari

do 28 20:30 Brugge (De Werf) 050 33 05 29

vr 29 20:15 Avelgem (GC Spikkerelle) 056 65 30 90

za 30 20:00 Aarschot (CC ’t Gasthuis) 016 56 48 24

februari

vr 12 20:30 Tervuren (Gemeenschapscentrum) 02 769 20 92

maart

za 06 20:00 Middelkerke (De Branding) 059 31 95 53

vr 12 20:00 Bredene (MEC Staf Versluys ) 059 56 19 65

za 13 20:30 Brugge (De Werf) 050 33 05 29

maandag 26 december 2011

Het geniale dagboek van een superpuber / Harmen van Straaten

Samen met zijn ouders en zijn oudere zus Caro, woont Kees op het platteland, terwijl hij een echt stadskind is.  Een stadskind dat op zeven september naar de brugklas zal gaan.  Dus zijn er wat dingen die hij geregeld wil zien: een busabonnement, bijvoorbeeld.  Al zijn vrienden gaan namelijk met de bus naar school, dus kan hij niet achterblijven.  Toch zien we Kees op de eerste schooldag in de plenzende regen naar school fietsen.  Dat  terwijl zijn grote liefde Teuntje, met wie hij al énendertig keer een vaste relatie heeft gehad, en zijn vriend Bas, hem vanachter de ramen van de bus glashard uitlachen.  Ze dàchten er ook niet aan om met Kees mee te gaan fietsen!
Wat Kees een toch niet zo doorsneepuber maakt, is dat hij een dagboek bijhoudt, en dat is wat de lezer krijgt voorgeschoteld.  “Het geniale dagboek van een superpuber” heeft ook de “looks” van een dagboek, inclusief pengekrabbel, een fotootje van Teuntje, en eentje van Ko, Kees’ teckel.  Ook de binnenbladzijden hebben alles wat een dagboek tot een dagboek maakt: er staan fotootjes in, pengekrabbel, en pesterige tekeningetjes van klasgenoten met wie het niet zo goed klikt.  We komen te weten dat Kees absoluut geen doetje is, en absoluut niet op zijn mond is gevallen.  De leraars, maar vooral de directeur, alias “Het Bottenpaleis” ziet hem liever niet  komen.  Maar laat Kees nu net veels te vaak naar zijn zin bij het Bottenpaleis moeten komen uitleggen waarom hij Muizentandje en Potloodje  vastkleeft aan hun stoelen met superattacklijm, om maar iets te noemen.
Kees is een jongen die vindt dat hij erg volwassen is voor zijn leeftijd, en laat dat niet na te vertellen aan de lezers van zijn dagboek: zijn vader is totaal uit de tijd, draagt bruine sokken in sandalen, en heeft zijn mobiele telefoon aan zijn broeksriem hangen.  Hij twittert erop los, en denkt zo dat hij hip kan zijn.  Niet dus.  Laten we zeggen dat Kees gewoon een geniale superpuber is, helemaal wat de titel van dit boek belooft.  Wel eentje met een overdosis pech, soms, en iets te veel puistjes op zijn gezicht om goed te zijn, zo vindt hij.  Zijn zus is een ongelofelijke klikspaan, en hij trapt steeds in haar geraffineerd opgezette valletjes, zonder dat hij het in eerste instantie doorheeft.  Zo raakt hij opgesloten in de kelder, en kan zijn zus een mega-illegale boerenparty organiseren in de schuur.  Want pa en ma zijn een weekendje weg.  Zo gaan die dingen.  Of hij raakt opgesloten op een wc tijdens de brugklasfuif op school.
Van Straaten creëert een schattige antiheld, en maakt gebruik van turbotaal : “De wowfactor”, “fashionisto” “Ik ben een fashonisto” zo vindt Kees, wat wil zeggen dat hij gewoon de mode volgt.  Of hij is supervet, helemaal chill.  “Supervet” is in Nederland wat in België “kei” zou zijn.  Maar omdat het boek ook gewoon Nederlands hanteert, is dat turbootaaltje goed verteerbaar.
“Het geniale dagboek van een superpuber” is alles bij elkaar genomen een grappig boek, waarin Harmen Van Straaten zijn Kees een heel eigen stem meegaf, en je als lezer nooit het gevoel hebt dat een volwassen schrijver vond dat hij in de huid van een dertienjarige moest kruipen.  Fijn wegleesvoer.    
Het geniale dagboek van een superpuber / Harmen van Straaten.- Amsterdam : Pimento, 2011.- 126p.: ill.- ISBN 978 90 499 2410 2 - 11+

donderdag 22 december 2011

Showbizzkiss / Do van Ranst ; Maarten Van Hove


Maarten is dertien als hij onverwacht (-aldus de achterflap-) de hoofdrol krijgt in de musical “Pinokkio”.  Hij heeft een heerlijke tijd in de spotlights, maar driejaar later wil Maarten toch liever niet meer aan die rol herinnerd worden.
Dat Do Van Ranst dit tiende Slashboek schreef, hoeft geen verrassing te zijn.  Behalve een érg goed auteur, van boeken voor jonge mensen van pakweg 8 tot 88, is hij ook theatermens.    Voor kinderen richtte hij samen met anderen de theatergroep” KinderkunstVEEG!” op, en voor jongeren “Overstekend Wild”.  Wanneer je dit allemaal weet, weet je dat “Showbizzkiss” Van Ranst op het lijf geschreven is.  “Zijn jongere” is Maarten Van Hove.  Hij vertelde Do zijn verhaal, over hoe hij na drie jaar liever niet meer aan “Pinokkio” wil herinnerd worden.
Maarten geniet heel erg van alles wat er bij zo’n musical komt kijken, maar het is niet allemaal rozengeur en maneschijn.  Want bij de audities moeten bijvoorbeeld altijd mensen afvallen, voor je uiteindelijk tot de definitieve cast komt.  En hoe je ook tegen elkaar zegt dat je elkaar zult mailen, bellen, dat je contact zult houden, dat gebeurt niet.
Gelukkig kan hij met zijn twijfels en zijn vragen wel steeds terecht bij zijn ouders, en schetst Van Ranst een warme familie.  Niet dat het boek aaneen hangt van de twijfels waarmee Maarten wel zal worstelen; “Showbizzkiss” is een warm boek met heel veel humor, en vervelende broers: Pieter, Maartens oudste broer, en Wannes.  Papa en mama, en opa!  Opa, aan wie Maarten alles te danken heeft, en dat beseft hij heel goed.  Maar soms zou hij willen dat opa zich NIET zoveel zou bemoeien met zijn leven: zeker niet wanneer hij liever nooit meer toneelspeelt.  Laten we zeggen dat opa een “nogal enthousiaste mens” is.  Zijn broers zouden trouwens ook liever willen dat Maarten een beetje gewoon zou willen doen, en het lijkt alsof ze hem Pinokkio niet gunnen.  Maar of dat zo is?  Dat kunt u tussen de regels lezen.
In de klas gaat het echter minder goed.  Zelfs door leerkrachten wordt met Maartens rol in “Pinokkio” gelachen, en zij laten niet na om steeds te zeggen dat Maarten er niet aan moet denken dat hij bij hen een voorkeursbehandeling zal krijgen omdat hij een ster is.   
En ook de liefde ontbreekt niet in “Showbizzkiss”: Maarten leert Charlotte kennen bij de musical, en er groeit iets moois tussen hen.  Maar ook hier blijft drie jaar later nog weinig van over…  Dat is een erg krachtig gegeven: mensen veranderen, en drie jaar is een erg lange tijd.   Zeker als je – na een lange periode bijna elke dag samen geweest te zijn – elkaar haast niet meer ziet als het musicalavontuur is afgelopen.
“Showbizzkiss” wordt in verschillende vertelstandpunten verteld.  Cursief lees je wat Maarten maffe, leuke, en minder leuke dingen vindt aan het hele musicalgebeuren.  Elementen uit Maartens leven NA de musical worden afgewisseld met elementen tijdens de musical.  Meestal gebeurt dit wanneer Van Ranst de lezer meegeeft dat Maarten aan deze of gene dag terugdenkt, en meteen zit je weer in het musicalgebeuren.
“Showbizzkiss” is weer een bewijs dat Do Van Ranst van heel veel markten thuis is, en met veel verschillende thema’s aan de slag kan, voor heel uiteenlopende leeftijden.
Showbizzkiss / Do Van Ranst, Maarten Van Hove (med).- Amsterdam : Querido, 2011.- (Slash).- ISBN 978 90 451 1238 1 - 13+

dinsdag 20 december 2011

Dissus / Simon van der Geest ; Jan Jutte

 
Na een zwempartijtje waarin Dissus en zijn vrienden verzeild raakten in een gevecht met jongens die veel groter zijn dan zij, komen ze op de bus naar huis, terecht in een storm.  Het liefst willen ze zo snel mogelijk uit de bus raken.  Dat lukt, wanneer de storm is gaan liggen.  Maar de bus vertrekt weer, en de jongens herkennen niets meer.  Niet de surfplas, niet de frietkraam of de glasbak, niets.  Hier past maar één conclusie: ze zijn zwaar verdwaald.  Hoe komen ze nu weer thuis?  Met de moed der wanhoop vatten ze hun tocht aan, naar huis.  Maar dat is zonder allerlei vreemde creaturen gerekend.  Een boer met maar één oog, bijvoorbeeld, die ze tegenkomen wanneer ze schuilen in zijn schuur.  Een schuur met schapen in.  De boer eet één van de vrienden van Dissus op, maar Niemand, zoals Dissus zich zo dapper noemt, heeft lef, vindt de boer, en dus houdt hij hem voor het laatst.  Ondertussen zitten ze in zijn schuur opgesloten. En dan is er Kirke nog: het vreemde meisje dat doorheen het boek waart, en hulp biedt op haar eigen manier.
Allerlei vreemde creaturen en vervoersmiddelen later, komen de vrienden weer thuis, al is het dan zonder de vrolijke Jeffrey, Michael en Frits.  Al lopen zij wel voor de rest van Dissus’ leven met hem mee.
In deel twee dat “Opgestaan is plaats-vergaan” heet, creëert van der Geest hoop, hoop op beterschap.  Omdat Dissus zo lang is weggeweest, zijn zijn ouders hem vergeten.  Een grote woeste hond, die ze Dissus noemen, heeft zijn plaats ingenomen.  Gelukkig is er Dissus’ zus, die hem allesbehalve vergeten is, ook al zeggen haar ouders dat ze nooit een broer heeft gehad.  Maar de hond denkt er niet aan om zijn plek weer aan kind-Dissus af te staan.  En dan komt Kirke weer op de proppen, en ze maakt van kind-Dissus een vuilnisbakkenhondje.  Dit hondje weet aan zijn zus duidelijk te maken dat hij haar broer is, en samen bedenken ze een plan om die grote boze hond in de surfplas te verdrinken.
“Dissus” is allerminst een vrolijk boek.   Mensen worden opgegeten door eenogige boeren, in wie we een cycloop kunnen herkennen.  Of ze worden weggeblazen om nooit meer terug te komen, of ze verdrinken omdat ze te lang moeten zwemmen, omdat ze nu eenmaal weer thuis willen komen.
“Dissus” is een erg vrije bewerking van het Odysseusverhaal.  Je herkent een cycloop, en Kirke komt ook om de hoek loeren, maar verder creëert van der Geest een verhaal dat opgehangen is aan jongens die na het zwemmen verdwalen en in allerlei bizarre situaties terechtkomen.  Situaties die ook wanneer ze eindelijk terug thuiskomen, aanhouden.  Op rijm vertelt van der Geest over Dissus, maar laat je niet afschrikken.  Na een tijdje merk je  niet meer dat je een boek op rijm leest.  Omdat je zo kunt opgaan in de taal van van der Geest, of meeleeft met wat de jongens moeten doormaken.
De illustraties van Jan Jutte laten niets aan het toeval over: een woeste hond is er eentje om bang voor te zijn.  Jutte schetst de vervanger van kind-Dissus als ronduit een gevaarlijk monster: eentje dat er niet voor terug zal deinzen de indringer te verjagen.  De mensen zijn stripachtige figuurtjes, die zo eigen zijn aan Juttes tekenstijl.  Denk qua stijlvergelijkingen vooral aan de boeken over Bil en Wil, van Rindert Kromhout.  Ook “Het Toverstokje” van Annie MG Schmidt bevat een soortgelijke stijl.  Voor “Dissus” kiest Jutte voor overwegend oranje achtergronden waarop hij zijn personages neerzet.  Zijn illustraties voor dit boek zijn een feest voor het oog, en maken van “Dissus” nog een rijker boek dan dat het al is.  Ook als er geen illustraties in zouden staan.  Van der Geest schreef een boek waarvan je moet bekomen.  Omdat er zoveel te lezen is, zoveel te zien.  Het kijken naar de illustraties schiet er soms zelfs bij in, en dat heeft alles te maken met de gelaagdheid van de tekst.
“Dissus” is geen hapklaar boek.  Net daarom moet erover verteld worden, zodat heel veel mensen weten dat het er is.  Lees, en geniet, kijk je ogen uit.  Met “Dissus” bewijst van der Geest dat hij na zijn sterke debuut “Geel Gras” geen eendagsvlieg is.  "Dissus" won in 2011 de Gouden Griffel!

Dissus / Simon van der Geest ; Jan Jutte.- Amsterdam : Querido, 2010.- 119p : ill.- ISBN:  978 90 451 1082 0 - 12+

zondag 18 december 2011

Het fantastische verhaal van Ferre en Frie / Siska Goeminne ; Jef Roels

Ferre is een kleine jongen van ongeveer negen.  Op een ochtend is een wit paard voor het raam bij zijn moeder verschenen.  Zijn moeder wilde het paard volgen en klom uit het raam.  En toen viel ze.  Ferre zag het allemaal gebeuren en verstopte zich in een kast, waar hij later door de politie werd gevonden.  De politie bracht hem bij Frie, die helemaal niet wist wat ze met stinkende Ferre aan moet.  Wil ze wel een drukke baby in haar stille leventje?  Samen met Fredje, zijn knuffelrat, probeert Ferre zich een plekje te vinden bij oma Frie.  Frie is een “rosse furie”, een “vieze vreemde” volgens Willem, een pestkop in Ferres klas.  Maar er is ook Tuur, en meester Toon: volgens Frie mag je nooit iemand vertrouwen, alleen jezelf.  Maar meester Toon en Tuur, die zijn te vertrouwen, weet Ferre.  Waarom heeft Frie altijd dat trieste over zich?  En waarom heeft Ferre ook die donkere buien?

Een prachtboek.  Groen is de lievelingskleur van Ferre: hij houdt van de zomer.  Frie blijft liever binnen, en komt alleen buiten als het moet, en houdt daarom meer van de winter.  Omdat Ferres lievelingskleur groen is, is het hele boekje dan maar groen, zonder dat het te fel opvalt: de omslag is groen, net als alle tekeningen, die een zweem groen bevatten.  Elk hoofdstuk begint met een dik groen lettertype ook, maar dat is niet zo nodig voor het verhaal: eerder een fijn extraatje voor wie dit mocht opmerken.

Wat mij betreft is dit boek nog eens van een zeldzame kwaliteit jeugdliteratuur, en niet zomaar een jeugdboek met een goed verhaal in.  Niets klinkt uitleggerig, je mag het verdriet van Ferre en Frie helemaal zelf ontdekken: beiden hebben dezelfde levenswandel: Ferre is zijn vader en moeder verloren, maar ook Frie heeft iets dergelijks meegemaakt.  Af en toe vertelt ze Ferre er iets over, maar liever zwijgt ze erover.  Hoewel Ferre groter wordt, en wil weten waarom hij bij Frie is, en waar zijn moeder naartoe is, en zijn vader; en waar zijn donkere buien vandaan komen.  Tot Willem het er glashard over heeft: Frie loog over het witte paard dat zijn moeder kwam halen!  Zijn moeder dronk, en “was alsmaar moe, zelfs te moe om voor Ferre te zorgen, ze wilde alleen nog maar drank.”

Waar Frie vandaan komt, is niet meteen duidelijk, maar dat hoeft niet zo voor het verhaal.  Hoewel dat wel een fijn extraatje zou zijn: ze houdt ervan om “rösti” te bakken en praat soms vreemde woorden die Ferre niet verstaat: (ze klinken en zijn Duits.  Ze zingt soms een liedje dat ze van haar vroegere thuis, uit haar land heeft meegenomen: achterin het boek staat dat ze het liedje heeft uit een gedicht van Rainer Maria Rilke.  Een heel klein beetje zoekwerk levert op dat dit een Tsjechische dichter was.  Het kan dus dat Frie een Tjechische vrouw is.)  Het gedicht heet “Herbsttag”.  Had het wel graag integraal achterin het boek gezien.

Dit boek is helemaal af: elk personage komt tot zijn recht, en heeft een eigen plekje.  Alles draait om Ferre en Frie, en knuffelrat Fredje (Frie noemde hem zo:  - hij is al bij Ferre toen hij bij zijn moeder thuis uit de kast werd bevrijdt – Fr van Frie en E van Ferre – Het is aandoenlijk, bijna, om te zien hoe Goeminne erin slaagt om zelfs een knuffelbeest een rol te geven.  Ferre praat weleens met Fredje, en hij praat altijd terug.  Toen Fredje op een dag, toen Ferre zes was, zoekraakte, toen Ferre en Frie naar een bureau moesten waarbij werd beslist of Ferre bij Frie mocht blijven, misschien: dit is niet duidelijk, dit staat niet expleciet in de tekst, zoals niets in dit boek, maar je kunt wel alles opmaken – ging Frie terug om hem voor Ferre terug te vinden.)  Meester Toon is in de klas voor Ferre ook een steun en toeverlaat voor Ferre: hij begrijpt hem ook, en laat ook andere kinderen in de klas in hun waarde.  Tuur is Ferres beste vriend, en dat merk je: beide jongens begrijpen elkaar zonder woorden.

De titel zou op een sprookje kunnen wijzen, maar is het geenszins, en eigenlijk is het ook niet “fantastisch”, hoewel.  De titel slaat op het verhaal dat Ferre in de klas vertelt over hem en Frie.  Maar je merkt ook op dat het niet waar is.  Toch niet helemaal.  Want Frie is niet ideaal.  Maar wie is dat wel?  Niemand.  Meester Toon weet trouwens heel goed dat niet iedereen zomaar wil vertellen, of zijn of haar geheim wil vertellen: daarom laat hij zijn klas hun geheimen toevertrouwen aan papier.  En tekenen is het liefste wat Ferre doet.  Hij tekent Fredje, voor Frie.    Een boek over stukken van mensen.

Het boek doet ook een heel klein beetje denken aan “Ciske de Rat”, het kleine jongetje zonder vader, maar waarin de leraar (gespeeld door Herman van Veen) ook een zorgende rol heeft. 

Het fantastische verhaal van Ferre en Frie / Siska Goeminne ; Jef Roels.- Wielsbeke : De Eenhoorn, 2009.- 109p.: ill.- ISBN 978 90 5838 555 0- 10+



HERFSTDAG

Heer: het is tijd. De zomer was zeer groots.

Leg op de zonnewijzers thans uw schaduw,

en stel de velden aan de winden bloot.

 Beveel de laatste vruchten rijp te zijn;

verleen hun nog twee zuidelijker dagen,

stuw hen naar de voleinding, Heer, en jaag

de laatste zoetheid in de zware wijn.

Wie nu geen huis heeft, bouwt het ook niet meer.

Wie nu alleen is, zal het nog lang blijven,

zal waken, lezen, lange brieven schrijven,

in lanen rusteloos dwalen, telkens weer,

als op de wind de blaren zullen drijven.

 Rainer Maria Rilke (vertaling Anton Korteweg

in: De Revisor III/5 , 1976 )


HERBSTTAG

Herr, es ist Zeit. Der Sommer war sehr groß.

Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren,

und auf den Fluren laß die Winde los.

 Befiehl den letzten Früchten voll zu sein;

gib ihnen noch zwei südlichere Tage

dränge sie zur Vollendung hin und jage

die letzte Süße in den schweren Wein.


Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.

Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,

wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben

und wird in den Alleen hin und her

unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.


(1902, uit: Das Buch der Bilder)(Wikipedia)

Met opa in het donker / Stefan Boonen ; Marja Meijer

Opa’s kleinkinderen komen allemaal samen logeren, op de grote zolder bij oma en opa thuis.  De bijbehorende prent van Marja Meijer laat alvast de sfeer zien die bij een logeerpartijtje past, we zien zeven kinderen die allemaal hun spulletjes, van luchtbedden tot sport- en rugtassen op de zolder zetten, of kinderen die blij zijn dat ze in een stapelbed mogen slapen.  De zolder is buitengewoon knap vormgegeven.  Maar opa kijkt wat mij betreft toch wat sip.

Bij een logeerpartijtje hoort natuurlijk ook iets te doen te zijn!  De kinderen willen erg graag verstoppertje spelen, en wel in het donker.  Ze mogen toch niet meer buitenspelen omdat het te laat is en omdat het stormt.  Boonen trekt hiervoor de kaart van het sprookje van de zeven geitjes, waarbij opa de wolf wordt, en de kinderen de zeven geitjes.  Erg origineel is deze vondst niet, maar in het kader van dit laatste opa-boek vond ik het wel passend.  Eén kind verstopt zich zelfs in de staande klok.  Wanneer opa alle kinderen heeft gevonden (en ze worden niet opgegeten), willen de kinderen dat opa zich gaat verstoppen.  Maar of dat zo’n dapper idee is?  Nu zijn de kinderen namelijk alleen in het huis, want oma is die avond op stap.  Toch gaan ze dapper op zoek naar opa.  Maar het is zo donker, en de regen rammelt tegen de ramen.  Dat regen rammelt is vergezocht.  Je kunt in een voorleesverhaal net zo goed gewoon van “kletteren” gebruikmaken, maar dat bekt minder leuk.  Bovendien zijn er in huis toch wel allerlei enge geluiden te horen.  En of het licht na een tijd niet gewoon terug aan kan?  Anders is het toch te donker…  Tenslotte vinden ze opa, die in slaap gevallen is in een kast.
Dit gegeven neemt de spanning van het vreemde huis even weg, en alles wordt weer gewoon.  De kinderen moeten gaan slapen, en daarbij hoort het tandenpoetsenritueel, en natuurlijk ook het verhaaltje.  Maar van slapen komt niet veel terecht.  Eenmaal met z’n allen op zolder, slaat de angst weer toe.  De wind die waait, en de regen die maar blijft tikken tegen het raam.  Sommige kinderen zijn er daardoor van overtuigd dat er een wolf op het dak zit.  Dit gegeven is zeer herkenbaar in de fantasiewereld van jonge kinderen.

Gelukkig is opa er nog.  Maar of hij in zijn eigen bed kan gaan slapen is maar de vraag.  Omdat de kinderen toch bang bleven, zijn ze in opa’s bed in slaap gevallen, echter zonder dat opa hier iets van weet.  “stilletjes, opa”, is de repliek van Gitte.  We vinden opa op de laatste bladzijde terug op de bank in de woonkamer, waar oma net terug is van haar avondje weg.  Waarom ligt opa nu op de bank te slapen?  Je ziet het haar gewoon denken.  Maar met de geitjes is alles goed.  Alleen de wolf is een beetje moe.
Onder het motto: “de laatste zijn vaak de beste” sluit “Met opa in het donker” de opa-reeks van Stefan Boonen met verve af.  Voldoende spankracht, uiterst verzorgde prenten, een voltreffer. 

Met opa in het donker / Stefan Boonen ; Marja Meijer.- Hasselt : Clavis, 2011.- Prentenboek.- ISBN 978 90 448 1588 7 - 4+

zaterdag 17 december 2011

Met opa in de sneeuw / Stefan Boonen ; Marja Meijer

Terwijl het hier op dit moment nog eigenlijk in de verste verte niet wil gaan sneeuwen, vinden we opa en zijn kleinkinderen terug bij opa en oma thuis, en daar sneeuwt het wel volop. Binnen is het gezellig warm, maar de kinderen willen naar buiten, in de sneeuw gaan spelen! Welk kind zou dat niet willen? Wel moeten ze laarzen aan hun voeten, en sjaals aan en mutsen op. Kortom, ze moeten zich klaarmaken voor alles wat je in de sneeuw kunt doen: sleetje rijden, of een sneeuwpop maken, en sneeuwballen gooien! En wat ook leuk is? Met de slee van de helling glijden, en vallen in de sneeuw! Want als je in de sneeuw valt, doe je je geen pijn. Alle kleinkinderen willen dat maar al te graag proberen. En dat gaat goed. Maar ook opa wil dit proberen. Maar of het bij hem ook zo goed gaat? Gelukkig zijn er zijn kleinkinderen, die hem zoveel mogelijk helpen…
“Met opa in de sneeuw” is het derde boek over opa en zijn kleinkinderen. Weer een gezellig voorleesverhaal, met prenten in kleur van Marja Meijer. De humor bij deze boekjes zit ‘m vooral in het feit dat Stefan Boonen van opa een lief, nogal klunzig iemand maakt, en dat het dan zijn kleinkinderen zijn die het initiatief nemen, en dat is maar goed ook. Elk boekje eindigt ook altijd ongeveer hetzelfde: opa is een beetje moe… En je zou voor minder!
Met opa in de sneeuw / Stefan Boonen ; Marja Meijer.- Hasselt : Clavis, 2010.- Prentenboek.- ISBN 978 90 448 1147 6 - 4+

woensdag 14 december 2011

Met opa naar zee / Stefan Boonen ; Marja Meijer


Opa trekt er met zijn kleinkinderen op uit naar zee.  Ze hebben, rugzakjes en petjes, een luchtkrokodil, emmertjes en schepjes, kortom: ze zijn met z’n allen klaar voor een dagje zee.  Daar gaan ze naartoe met de trein, waarop het zeer druk is.  Opa neemt meteen de leiding: vandaag is hij generaal, en de kinderen zijn zijn soldaten.
Aangekomen op het strand, doet opa wat hij beloofd heeft, en hij trakteert met ijs.  Hij heeft de kinderen op het hart gedrukt om zeker de plek waar ze op het strand zitten, niet te verlaten, zodat hij hen makkelijk kan terugvinden.  Maar zal opa de weg naar hun plekje zélf wel kunnen terugvinden, liefst mét ijsjes?  Bijbehorend zien we op een dubbele pagina een strandtafereel.

“Met opa naar zee” is een totaalpakketje.  De prenten in kleur van Marja Meijer bieden dit keer wel meer dan wat enkel de tekst vertelt.   We zien bij het vertrek dat oma bijvoorbeeld nog snel een kleinkind helpt om zijn rugzakje aan te trekken, en de was hangt aan de lijn.
De prenten stralen een en al vrolijkheid uit, en zo hoort het ook bij een dagje aan zee!

“Met opa naar zee” is iets avontuurlijker  dan “Opa op de fiets”.  Dat heeft te maken met opa die niet zo makkelijk de weg terugvindt, en met smeltende ijsjes.  Wat mij betreft nemen de kinderen in “Met opa naar zee” meer het voortouw dan dat ze dat doen in “Met opa op de fiets".  Boonen heeft hen hier iets meer body meegegeven.   
Met opa naar zee / Stefan Boonen ; Marja Meijer.- Hasselt : Clavis, 2010.- Prentenboek.- ISBN  90 448 0823 0 - 4+

maandag 12 december 2011

Met opa op de fiets / Stefan Boonen ; Marja Meijer

Opa trekt er met zijn kleindochter Isa op uit, met de fiets. Maar of ze lang met hun tweetjes zullen fietsen is maar de vraag. Algauw vraagt Gitte of ze ook mee mag. En Emma verveelt zich, zij wil ook mee. Bram komt er ook bij, en dan is er Pieter nog. Zal dit wel goed gaan?


“Met opa op de fiets” is een vrolijk, heel gewoon verhaal over een opa en zijn kleinkinderen. Opa is iemand die veel voor zijn kleinkinderen overheeft, en dat maakt mee de warmte van dit boekje uit. Ook al is er geen plaats voor iedereen op opa’s fiets, Pieter mag in opa’s nek, maar hij moet zich vasthouden aan zijn oren. Makkelijk zat. Ook al vond opa al op het bruggetje dat hij net een bus is.

Marja Meijer tekent de buitenwereld waar opa en zijn kleinkinderen doorheen fietsen. Dat doet ze in prenten vol kleur, met dieren die dieren blijven, kijken we maar naar de koeien in de wei. Zij worden niet vermenselijkt. De wolken in de lucht, waarin je soms een vliegtuig of een huis kunt herkennen met een beetje fantasie, fnuiken je fantasie net wél, en dat is jammer. De tekst vertelt dat opa naar een wolk wijst, waarop Isa zegt dat het net een boom is. Meijer schetst een wolkenlucht, waarvan ze dan maar van de wolken een vliegtuig maakt, of zelfs een t-shirt. Terwijl de wolken die je soms in de lucht ziet, echt niet zo levensecht de vorm van een t-shirt hebben. De illustraties stralen warmte uit, en maken het verhaal compleet, hoewel ze niet veel meer vertellen dan wat de tekst al doet.

Met opa op de fiets / Stefan Boonen ; Marja Meijer.- Hasselt : Clavis, 2010.- prentenboek.- ISBN: 978 90 448 1187 2 - 4+

dinsdag 6 december 2011

Boek 1: De woestijn - Davidsfonds Literair, 2005

 

Wijsheidsparabels die zo uit de sprookjes van 1001 nacht leken te zijn weggelopen’ (Knack)

‘Oorspronkelijke teksten vol filosofische doordenkertjes, absurd maar uit het leven gegrepen. Frank Adam is een fantastische verteller.’ (Pol Arias, Neon, Radio 1)

‘Sterk, onderhoudend, humoristisch en pijnlijk. Verhalen van alle tijden met typische ingrediënten van deze tijd’ (De Leeswolf)

‘Unieke contes philosophiques in de traditie van Voltaire en tegelijk een spiegel van de moderne tijd.’ (filosoof Lambros Couloubaritsis)


‘Frank Adam schrijft zich met Confidenties aan een ezelsoor in de Voltairiaanse traditie van filosofische parabels in… (De Standaard der letteren)


‘Leuke verzameling absurde fabels met duivelse prenten. Adam en Verplancke hebben in dit boek een schijnbaar vrolijke sfeer en vaak een gezellige opwinding weten te creeëren, maar met een nooit aflatende angst en een eeuwige tristesse die de ezel als een onhoorbaare ondertoon in hem voelt trillen. (Focus Knack)

‘Frank Adam blijft in de eerste plaats een goed schrijver, die aan zijn dolle fantasie een intelligente emotie kan meegeven.’ (De Morgen)

‘Bekentenissen aan een ezelsoor herinnert u zich nog wel: dat veelkleurige feuilleton op de laatste bladzijden van De Standaard Magazine. De tekst was van Frank Adam, de (te) vaak over het hoofd geziene Vlaamse schrijver’ (Mark Cloostermans in De Standaard)

‘Een apuleius-achtige bundel waarvan ik zeer heb genoten’ (Volkskrant striprecensent Joost Pollmann in Items)

zondag 4 december 2011

Konijntjesbrood / André Sollie


De koningin wil graag een konijntje, haar buik staat al bol van verlangen.  Maar de koning?  Hij wil een eekhoorn!  Zullen de koning en de koningin hier samen uit kunnen komen? “ Konijntjesbrood” is een boek over verlangen.  Over moeten nemen wat zich aandient, over dingen die je niet in de hand hebt, hoe graag je dat ook zou willen.
Vòòr de titelpagina zien we twee foto’s:  van eekhoorntjesbrood, waarvan we kunnen lezen dat het een eetbare paddenstoel is (…) die alleen in het wild voorkomt.  Maar of konijntjesbrood een bestaande paddenstoel is?  Een paddenstoel met twee konijnenoren bovenop zijn hoed?  Dat laat ik in het midden.
Ook de voorplat van “Konijntjesbrood” is uiterst verzorgd vormgegeven.  Op een grijs/zwarte achtergrond  biedt een zwarte ovalen vorm plaats aan de maker van dit boek, en de titel.  De zon, een klok waarvan de lezer gauw genoeg de betekenis zal ontdekken als hij of zij “Konijntjesbrood” openslaat, en de maan: daaronder een witte vrouw met een konijntje als uitloper van het hoofd, met tegenover haar een rode man met een eekhoorn als uitloper van zijn hoofd.

André Sollie verrast opnieuw.   Na “De Zomerzot” en “Een raadsel voor Roosje”, boeken uit 2009 en 2007, bedoeld voor lezers vanaf 5 jaar en vanaf 10 jaar. 
Met “Konijntjesbrood” merk je dat Sollie zich heeft uitgeleefd:   “Konijntjesbrood” staat vol mooie zinnen, die als geheel een mooi,  poëtisch boek vormen.  Pentekeningen op de ene bladzijde, worden afgewisseld met geschilderde  prenten in felle kleuren, waar je meteen de stijl van Sollie in herkent.  De collages waar Sollie ook duchtig gebruik van maakt, zijn een feestje voor het oog, en je raakt er niet zo makkelijk op uitgekeken. 

“De nacht gooide zijn donkerste deken over het land.  En de maan stond hoog aan de hemel.  Achter één raam van het koninklijk paleis bleven de kroonluchters branden… “  Hier begint het verhaal van een koninklijk stel dat zo graag een konijn, dan wel een eekhoorn wil.  De prent aan de rechterkant gooit meteen alle registers open.  Het is een bewolkte nacht, met sterren aan de hemel, en een blauw paleis, waar je het licht achter één raam kunt zien branden.  De maan staat aan de hemel, en ze heeft een kindergezicht.  Dat kindergezicht slaapt.

André Sollie leverde met “Konijntjesbrood” een niet zo makkelijk te behappen prentenboek af, maar laat het u niet tegenhouden om dit uiterst knappe pareltje te ontdekken!
Konijntjesbrood / André Sollie.- Amsterdam : Querido, 2011.- ISBN: 978 90 451 1204 6 - 7+