zondag 25 november 2007

Wow! Wat een wolf! / Stefan Boonen ; Frank Daenen

Laps is een klein konijn. Zelfs zijn kleinste zus is groter dan hij, en dat vindt Laps niet fijn. Hij gaat opzoek naar de wolf, die verderop in het bos woont. Laps wil ook een wolf worden, omdat die groot en sterk en gevaarlijk enzo zijn. Maar alle konijnen bij dat lage heuveltje, waar Laps woont, met al zijn vrienden en vriendinnen, neven en nichten, mama en papa, … weten dat ook, dat de wolf gevaarlijk is…
Dit is een verhaal, waar ik het volledig met de flaptekst eens ben, die vertelt: “Dit is het verhaal van een konijn. Een konijntje om eerlijk te zijn. Het heet Laps. ‘Laps is een piepkonijn’, lachen zijn vriendjes soms. Zelfs zijn kleinste zus is groter dan hij. Laps verlaat zijn nest en gaat opzoek naar de wolf. Want die kan hem vast wat leren, denkt Laps. Over groot worden. Over wolf worden. Maar wolven zijn gek op konijntjes…
De achterflap meldt ook: Een teder verhaal over gevaarlijke dromen en een zacht wolvenhart.” Dit is een van de weinige keren dat de flap niet te veel prijsgeeft, mooi zo.
Dit is een mooi verhaal, dat goed loopt, nergens onlogisch is (konijnen huppen en springen, en knabbelen en zitten.). Het taalgebruik is ok, al hou ik niet zo van “Het is opeens superstil in het bos”. Doodstil zou beter zijn, maar in de rest van het verhaal, past dit gegeven van “superstil” wel, omdat het verhaal verder ook een heel klein beetje de spreektaal hanteert: “Die is groot en sterk en vanalles. Die kan dit en dat enzo…” En dit stoort in dit verhaal ook helemaal niet. Er staan geen tegenstrijdigheden in, je kunt je perfect inleven in het konijn-zijn, maar je herkent ook het gegeven “anders te willen zijn”, en dat is een heel sterk gegeven, dat heel sterk maar niet triest, helemaal niet triest, uit de verf komt. Laps GAAT opzoek naar de wolf, nadat hij hem eerder die dag voor het eerst gezien heeft, en alle konijnen voor hem op de loop gingen. Maar Laps vond het “wow, wat een wolf!”. Hij besluit hem dus te gaan zoeken, en je merkt dat dit konijn behoorlijk wat lef heeft. Papa heeft hem eerder op de dag al weggestuurd, nadat Laps hem vroeg “als ik later groot ben, kan ik dan ook een wolf worden?” waarop papa vond dat hij zulke gekke dingen niet moest vragen. Mama begreep hem ook al niet, “je bent een konijn, Laps, geen wolf!” Dus besluit hij om er zelf wat aan te doen. Hij weet niet of hij de wolf zal roepen, of dat niet dom is. Wanneer hij bij de beek aankomt, ziet hij de weerspiegeling van de maan in die beek, en dat is ook mooi gezegd: “Dat moet ik aan mama vertellen, dat ik vlakbij de maan ben geweest”. Wanneer de wolf “wow!” in de beek plonst, schrikt Laps wel, maar ’t is dus wel een lefgozertje. Hij wil de wolf dus graag wat vragen. “Ik wil, ahum, graag een wolf worden”. De wolf lacht hem eerst uit, maar besluit dan toch maar wat voor hem te proberen doen. Wat volgt is een dialoog tussen konijn en wolf, die aandoenlijk is. Laps vraagt naar mama en papawolf, en naar broers en zussen, en vriendinnen. De wolf heeft dat allemaal niet, en dat vindt Laps erg, waarna de wolf bekent dat het soms niet simpel is een wolf te zijn. Wanneer ze naar zijn wolvenhol gaan, bekent Laps ook dat hij niet kan zwemmen, “dan moet je nog veel leren” gromt de wolf”- pakt de wolf Laps bij zijn nekvel, wat Laps ook al vreemd vind, en bovendien ruikt de wolf ook vreemd. De wolf vraagt Laps om te huilen, te springen en te grommen als een wolf, waarna hij zegt dat het “bijna goed is”. Ze gaan slapen, en de wolf vindt Laps een heel bijzonder konijn. Toch zal hij nooit een wolf worden. Hij draagt hem heel voorzichtig, zo voorzichtig dat Laps niet één keer wakker wordt, terug naar de bosrand.
Wat een verhaal is dit toch. Het is een heerlijk gegeven, dat nooit geforceerd overkomt, omdat een konijn nu eenmaal een konijn is en zal blijven, en een wolf blijft een wolf, al is deze een zachtaardig exemplaar. Maar dit past perfect in de verhaallijn.
Wow, wat een wolf! / Stefan Boonen ; Frank Daenen. Hasselt : Clavis, 2004 - 6+

woensdag 14 november 2007

3 lustrums boekenbeurs

Het was dit jaar precies 15 jaar geleden dat ik voor het eerst naar de Antwerpse Boekenbeurs ging. Toen was ik een vijftienjarig ukje, of moest ik dat worden. Superfan van Bart Moeyaert, toen al. Ik had Bart eerder dat jaar, we spreken 1992, voor het allereerst in levende lijve gezien. Was daar toen erg blij mee, maar verder is het niet echt iets om lang bij te blijven stilstaan. Ach…J. Vijftien jaar geleden dacht ik dat ik het fijn zou vinden om met mensen samen naar de boekenbeurs te gaan: “fijn, waarschijnlijk kijken we samen naar boeken, en misschien vinden we dezelfde boeken fijn…”. Algauw dacht ik daar echter anders over, en vond ik het het jaar erop veel fijner om in mijn eentje tussen de boeken op de beurs te gaan neuzen. Als vijftienjarige is je budget niet erg groot, en kwam ik thuis met één of maximum twee boeken. Het hoeft geen betoog dat ik blij was met mijn eigen loon, een aantal jaar verder! Sinds 1992 sloeg ik geen enkele boekenbeurs periode over. Handtekeningen “jagen”, “verzamelen” vond ik vroeger al fijn, en vond ik “Mijnheer, wilt u dit boek signeren – “heb je nog al dingen van mij gelezen? Vond je die fijn”?” al een fijne babbel. Mijn eerste boekenbeursboeken waren er van respectievelijk Rene Swartenbroekx (waar is die mens als auteur gebleven trouwens?) “Nooit meer bang zijn”, geloof ik, en “Voor Paulien”, of “De foto” van Paul Kustermans. Samen met een vriendin, dat eerste jaar, kochten we elk een exemplaar van “Nachtschaduw”, over een jongen die probeert om vriendschap te sluiten met een wolvenjong, en dat lieten we dan door Annelies Tock signeren. In onze brieven later vroegen we dan: “wat heeft Annelies in jouw boek geschreven?” Boeken van Bart Moeyaert liet ik ook dat eerste jaar al liggen, omdat ik al zijn boeken al had. Gekregen tijdens een zonnige periode, nog een jaar eerder. Nog het vermelden waard: de toegangsprijs uit 1992 voor een dagje boekenbeurs? 100 BF. Echtig waar. In 1995 geloof ik, ging ik een dag, twee keer. Ik wou persé nog een boek, en had niet gezien, dat zag ik later thuis, dat Bart Moeyaert nog zou komen signeren. Ik geloof dat “Blote handen” toen van mij werd. In 1996 was er dat boek en lezing waarvan ik de eerste zin nooit meer ben vergeten: “Ik weet het, ik ben een slecht mens”, uit “Met mij gaat alles goed”, het eerste boek uit de trilogie van Jan Simoen (waarvan toen waarschijnlijk nog geen sprake van een trilogie, of wel?) Ik heb dat boek later van mijn oma onder de kerstboom gevonden. Samen met “De Roos en het zwijn”, van Anne Provoost, “Wespennest” van Bart Moeyaert kwam mijn kant op. (Bart vroeg me dat jaar zelf of ik niet kwam luisteren! Fijn dat ik dat vond!)
Later ging ik voor de boekenbeurs allerlei lijstjes maken, en stopte ik met kopen in de winkel om loos te kunnen gaan op de beurs. En nu zijn we 2007. Nu had ik een blocknote bij, en een balpen, en kwam ik terug met een lange lange lijst, om te kopen of te bestellen in de winkel. Wat deed ik wel: het heel fijn vinden om rond te lopen, en bedenken: “aaah, wat hou ik van boeken! Wat hou ik van letters!” Drie dagen. Drie dagen vol letters en boeken, en babbels, echte babbels deze keer. Een dag die me zou kunnen helpen om kinderen boeken te helpen lezen (maar zo zo bevonden, eerlijk gezegd, de enige “leerlingendag”workshop waar je echt iets mee kon was “filosoferen met Doornroosje”. De andere lezing ging over strips, en die was ook fijn, maar dat was zeker ook zo omdat ik voor deze fijne bende mensen mee werk aan hun site, met mijn eigen boekenrubriekje. Hoe breng je literatuur in de klas? Met Edward van de Vendel en Jan Simoen was gewoon een promopraatje met hen, over wat zij met hun boeken zouden willen zien gebeuren in de klas, om een half uur heel kort samen te vatten: “Dat ze gelezen worden”. Hmm, dat zou ik inderdaad ook wel willen, mocht ik een boek willen hebben geschreven. Mja. Dit jaar vond ik het ook tijd voor een nocturne, en die smaakte naar meer. De interviews zijn echte debatten die ergens toe leiden, geleidt door mensen die in het “interviewvak” zitten, als daar zijn Frieda van Wijck en Friedl Lesage. Over de graphic novel: ik ben gedeeltelijk verkocht, geloof ik. Ik leer nieuwe dingen kennen, den daar hebben mijn collega’s van Stripelmagazine erg veel mee te maken.Het was echt een fijne halve november dit jaar!

woensdag 7 november 2007

De snodaard der letteren

... op Radio 1, de afgelopen dagen, weken. De stemming hierover werd vandaag afgerond. Morgen wordt bekendgemaakt - op de boekenbeurs, welke snodaard de titel "Snodaard der letteren" zal winnen.
Van Dale zegt over "Snodaard": 1 [form.] slecht mens => schurk. Radio 1 meldt dat zij opzoek zijn naar een personage dat weliswaar slecht is, maar waar je als lezer toch sympathie voor kunt voelen. Uit het "nominatielijstje van tien" koos ik (de enige die ik echt kende, maar goed) "Reinaart de Vos". Omdat ik de laatste versie die ik ken (uit 2007, door Henri Van Daele en Klaas Veplancke (illustraties), met een Plantin Moretusprijs voor beste vormgeving van Peer De Mayer) (Nah! Als een ander, behalve op Aangetekend, hem niet noemt, doe ik het!), geweldig vond. Omdat dat boek je een spiegel voorhoudt. En omdat Reinaart inderdaad op een of andere manier toch sympathiek is.