zondag 28 november 2010

Over zee / Marleen Nelen

1804: Acker, 15 en redelijk zonderling, woont met zijn vader en broer in een dorpje aan de Engelse kust, waarvoor de schrijfster inspiratie vond in Robin Hoods Bay. Waar alle dorpelingen vissers zijn, en dus vaak op zee vertoeven, vindt Acker dit maar niets: hij blijft aan land, en doet wat vrouwen doen: visnetten repareren, en vis schoonmaken. De zee: ze bekoort hem niet. Anders met Ione, de dochter van vuurtorenwachter Auden. En er is Louiza, een rare vrouw volgens de andere dorpelingen, die mensen kan genezen met kruiden. Maar Louiza is meer een moeder voor Acker dan een vreemde vrouw: hij voelt zich goed bij haar, en ook dat zint de dorpelingen niet.


De graaf van Engeland is gewend om altijd zijn zin te krijgen, en deze keer staan zijn zinnen op Ione. Zij zal voor hem moeten komen werken, maar dat is zonder lefgriet Ione gerekend. Al moet ze hiervoor wel zwaar prijs betalen.

Acker wil vliegen. En dan komt Klaus in een vat van op zee, meegebracht door de andere vissers, in het dorp aanwaaien. Wie is deze zonderling? Is hij een priester, zoals de dorpelingen denken? Acker is geïntrigeerd door deze Klaus, die klokken maakt, en aan een vliegend tuig werkt.

Marleen Nelen won met dit boek de Zoute zoen, de tweejaarlijkse prijs van de stad Knokke Heist. Ik heb het boek best graag gelezen, maar had behalve het mooie taalgebruik en mooie zinnen, een iets vlotter lezend verhaal gelezen. Het klikte niet zo tussen het boek en mij, en dat terwijl ik de zee toch wel een warm hart toedraag, en die is ten overvloede aanwezig. Net als kroegen en corrupte mensen die denken dat ze voor anderen moeten zeggen wat zij moeten doen en laten om er zelf beter van te worden. Ik wil dit boek graag vergelijken, al is dit louter persoonlijk, met een slecht afgestemde radio. Ik zie wat de personages doen, maar ik zag alleen Acker’s kauwtje Willem helemaal: een gered vogeltje dat bij hem bleef, en verder moest met één oog, omdat het andere door meeuwen was uitgepikt. Zijn streken, zijn doen en laten, het boeide me mateloos.

Ik kon me goed inleven in hoe Acker helemaal niet op zee wil zijn, maar wel beseft dat hij op een dag wel zal moeten. Het sterke aan dit boek is ook dat Acker, en dat merk je dit niet zal blijven doen, en dat hij zijn eigen weg zal zoeken, weg uit het dorp, en weg van de beklemmende sfeer.

Maar – en ik besef dat het tegendraads klinkt – door zo te focussen op mooi taalgebruik (dat wel aanwezig is, maar het is nooit TE veel van het goede) komen de personages niet echt tot leven, en kan Louiza bijvoorbeeld, geen levensecht lief iemand worden, wat mij betreft. Ik merk ook de wrevel op tussen Acker en zijn familie, maar dat ze af en toe kwaad worden op elkaar, dat moet de lezer zelf bedenken. Het is geen expliciet boek, en er staat geen woord te veel.

Ook het tijdsgebruik, we spreken 1804 en verder, wordt niet uit het oog verloren, en dat maakt het boek ook wel mee geloofwaardig. Nelen heeft niet getracht om er een “moderne vertelling van deze tijd van te maken die in 1804 begint”. Mensen rijden bv niet rond in auto’s, en er wordt paardgereden of te voet naar steden getrokken, en men weet dat dit dagen kan duren. Een vrouw die mensen beter maakt met kruiden? Dat moet een heks zijn!
Over zee / Marleen Nelen.- Leuven : Davidsfonds Infodok, 2010.- 205p.- ISBN: 978 90 5908 387 5

vrijdag 5 november 2010

over tapijten aan zee, Schatje en Scheetje, Keetje, over vieren en poëzie

"Een rijm in mijn oor: Kinderpoeziefestival", woensdag 3 november 2010

3 november, en ik heb herfstvakantie. Ik trein naar Hasselt voor “Een rijm in mijn oor”, in het Literair Museum daar, in samenwerking met Het Poëziecentrum Gent, dat zijn dertigste verjaardag viert. Hoera! Feestje!


Wanneer ik binnenstap in het pand vlakbij het station van Hasselt, bedenk ik voor de zoveelste keer hoe fijn ik al dat lettergewemel in mijn leven vind. Omdat het museum – waar nog niet heel veel mensen al van hebben gehoord, en ze durven dat zelfs op de radio verkondigen, in een programma dat zichzelf een “cultuurprogramma” noemt – nog steeds bestaat uit heel veel hoeken en kanten, en massa’s kinderboeken.

In twee groepen worden we ordelijk doorheen de voormiddag geloodst, en wel op een heel strak schema, maar dat stoorde nooit, en je had ook nooit het gevoel dat een dichter te kort aan het woord kwam.

Ik zag op de zolder van het museum, tussen “poëziehanddoeken”, ontworpen door studenten lerarenopleiding van de Xioshogeschool, Erik Van Os, die heel enthousiast kwam voorlezen uit zijn werk, waaronder een fragment uit “Schatje en Scheetje”, het 100ste boek van van Os en Elle van Lieshout. En toen zong ie een liedje, over Schatje en Scheetje. Schatje en Scheetje, die in de gevangenis terechtkwamen, omdat ze elkaars hart gestolen hadden. Of hij las voor uit “Jop is op de juf”, uit 1994. Over Job, dus, die hopeloos verliefd is op de juf. Maar juf is getrouwd… Dat boek, vertelde van Os, is een boek waarin alle woorden staan die ik wilde. Het publiek mocht overigens een beetje kiezen wat van Os zou voorlezen, wat de interactie meteen vergrootte. Ook met Schatje en Scheetje werd het publiek verzocht om mee te doen.

Frank Adam had een celliste, wiens naam ik vergeten ben, helaas, recht uit Frankrijk, mee. Samen lazen ze voor, en maakten ze muziek, absurde gedichten die me helaas nogal weinig deden, maar omdat Adam een podiumbeest is, kwam het allemaal goed: over een sok die niet in zee wil met een stinkvoet, over bang zijn in het donker, over blote mama’s en zussen, die wanneer je haar vraagt of je al dat bloot dat ze onder haar kleren draagt, mag zien, je afblaft.

Riet Wille is logopediste, en wat mij betreft merk je dat in haar poëzie: wanneer ze met woorden speelt, heb je als toeschouwer (te) vaak het gevoel dat je oefeningen zit te maken. Ze deed iets wat op een workshop leek, en legde een paar geheimen uit haar boeken bloot, over foute covers, en over letters die eigenlijk omgekeerd moeten staan. Het boek “Toen de duisternis viel, heb ik ze opgeraapt” is de titel van een gedicht van Wille, en dat was fijn om te horen, want dat wist ik niet. Wat ik wel weet, is dat het nu de titel is van een bundeling die Annemie Leysen maakte, met illustraties van Gerda Dendooven.

Geert De Kockere was een beetje een schoolmeester, wanneer hij over zijn poëzie kwam praten, en soms een beetje naïef. Hij maakte bijvoorbeeld een buiging, na de titel van een gedicht, dat hij dan voor ging lezen. Want, zo zei hij: mijn buiging is een witregel. Dat moet je weten. En hoe komt het dat de zee zo vervuild is? Omdat jij met je voeten vol zand, de zee in gaat. (Tsja…) Dus wat moet je daaraan verhelpen? Hoe hou je de zee schoon? Leg tot vlak voor het water, een matje, waaraan je je zandvoeten afveegt, en dan kan je de zee inrennen. Doe hetzelfde wanneer je de zee verlaat. En wat doe je dan met je matje vol zand, aan het eind van de dag? Uitschudden in zee? Toch maar niet. Rol je matje op, en schudt het uit in je tuin, thuis. Dan heb je daar na verloop van tijd een zandbak.

En toen was er middagpauze. Stipt om één uur ’s middags, zoals aangekondigd. Niet om 13.01u. Ik zei het al: zeer strak schema, zonder dat het de deelnemers van het festival opviel, wat een puike prestatie is.

Om 14.00u was de start van het tweede luik van de dag, met weer vier dichters.

Edward van de Vendel kwam (zag, en overwon), voorlezen en showen uit “Opa laat zijn tenen zien” en “draken met stekkers”, zijn stripgedichten die hij samen maakte met de onvolprezen Floor De Goede (en volgens de Leeswelp is hij een illustratrice), waarvan van de Vendel vindt dat hij ALLES kan tekenen, en de beste striptekenaar van Nederland is. En weet u? Hij heeft daarin nog gelijk ook, als u het mij vraagt. Maar u vraagt het mij niet, waarschijnlijk. Tanken en denken, dat rijmt in Vlaanderen niet, maar in Nederland wel. En Vlamingen wonen in een appartement, Nederlanders in een flat. En tanken en janken rijmt wel, en “Er nog zijn, daar gaat het om”, dat is Superguppie, ook al onvolprezen, bundels met Fleur van der Weel.

Hierna ging het weer richting zolder, voor een workshop (en deze keer echt) door Kip van Troje, een ongesubsidieerd gezelschap dat resideert in Gent, en zich met poëzie allerhande bezighoudt. Hier ging het vooral over wat je met poëzie allemaal kunt doen. Wat vroeg de man die de workshop leidde dan? Gekke dingen, eigenlijk, zeker als je elkaar voordien nog nooit zag. “Draai je naar je linkerbuur toe, kijk een minuut in zijn of haar ogen, en vertel mij wat je in die ogen ziet”, bv. Of “zeg iets liefs over de persoon naast je”. Nouhou… Hier moet je zin in hebben! Of houden van gekletter der letteren. Ik hou het op dat laatste, geloof ik… Waarmee ik niet gezegd heb dat ik dit soort van workshop niet leuk vond, wan dat was het zeker wel. Jawel.


André Sollie zorgde ook voor enige actie: “wil iemand een sterretje komen tekenen?” “Wil jij hetvolgende sterretje tekenen?” “Nog eentje”? En toen ging ie met blauw aan de slag, vroeg iemand om een hoedje in zwart te tekenen, en iemand om de oortjes die zo samen de omslag gingen vormen van “Altijd heb ik wat te vieren”, waaruit ie voorlas. “Honnepon” kun je trouwens ook zingen, en daar als kindjes van een zangkoor aangenaam van schrikken: “Hey! Dat kennen we!” en toen zongen ze. Het hele gedicht “Honnepon”. En André wist er niets van. En iedereen kreeg achteraf een donderend applaus. Natuurlijk!

En toen kwam Johanna Kruit nog een paar gedichten lezen. Maar eerlijk is eerlijk: ze was een dichter teveel, geloof ik. Ik had genoeg woorden gehoord, ik had genoeg genoten, en ik was moe. Waarmee ik geen afbreuk wil doen aan Johanna Kruit, die weet dat een dichter heel gewoon is, of een tovenaar.

Toch bedacht ik ook nu weer hoe fijn ik al dat jeugdliterair geweld allemaal vind, en dat je als volwassene hier net zo goed in kunt opgaan. Meer van dat?

maandag 1 november 2010

Gebeten / Ronald Verheyen en Philippe Truyts

Een deal waar geld mee gemoeid is, veel geld, twee doden, en een ontsnapte slang. Dat zijn de ingrediënten waarmee Ronald Verheyen en Philippe Truyts aan de slag gingen voor hun boek “Gebeten”. Het boek speelt in Antwerpen, maar behalve een jobstudent die er in de Zoo werkt, en het Rivierenhofpark in Deurne, speelt het geen rol waar dit boek zich nu eens zal afspelen. In hun dankwoord bedanken Verheyen en Truyts Ben Van Dijck, hoofd van de reptielenverzorgers. Dat maakt het boek meteen geloofwaardig, als u het mij vraagt. Dat beide heren hem ook vernoemen in hun boek “als de man die mensen kennen uit de reeks “Het leven zoals het is: De Zoo”” hoefde wat mij betreft niet zo expliciet vernoemd te worden, want dit doet niets ter zake. Laat een boek maar een boek zijn, en laat een televisieprogramma dat ook maar zijn. We komen woorden tegen als herpetoloog, en dat is iemand die amfibieën en reptielen bestudeert.


Dit boek is geen hoogvlieger, en toch kon het mij boeien. Wanneer men het in kinder- en jeugdboeken over slangen wil hebben, komt men namelijk vaak uit op (voor de kleintjes dan) lieve soms zelfs zingende knuffelslangen, of spat het bloed van de pagina’s in griezelverhalen met slangen in de hoofdrol, en stelt men deze dieren al te graag in een slecht daglicht, waarmee ik dan weer liever niet gezegd heb dat je niet op je tellen moet passen wanneer er pakweg een slang opduikt in je toiletpot.

In “Gebeten” wordt gefocust op het leven van een ontsnapte giftige slang, wanneer er een hittegolf heerst in Vlaanderen. En laat deze slang nu net perfect laten gedijen in temperaturen boven de dertig graden. Inderdaad: dan staat de stad (om bij dit boek te blijven) op zijn kop. Want er vallen doden, drie wanneer de slang ontsnapt, en twee bij het begin van dit boek. De proloog is in cursief gedrukt, en geeft de “gedachten” van de slang weer, die aanvoelt dat ze gevangen wordt. Ik moet helaas wel twee keer op korte tijd lezen dat een slang niet hoort – op pagina zeven: (…) kon nauwelijks een kreet van bewondering onderdrukken. Hij hoefde dat niet te doen, want slangen zijn doof. Op p.21 komen we weer een cursiefgedrukte tekst tegen met slangs gedachten: (…) “de slang hoorde het niet, hij was doof”. En toch kon dit verhaal mij blijven boeien. Omdat het GEEN griezelverhaal is, en omdat het geen knuffelgehalte heeft (maar het is ook geen prentenboek, natuurlijk. Maar het moet gezegd: er is veel ontwikkeling, op veel te korte tijdspanne. Want de ene of de andere sekte ziet de slang als de duivel, en zij hebben het op de Bosmeester gemunt, dood, liefst. Ben en Sam (onze jobstudent in de Zoo) zien dit liever niet gebeuren, maar het Antwerpse politiekorps zit met de handen in het haar, omdat de slang zich niet laat vangen. De doden die vallen omdat ze met de slang in aanraking kwamen (ze trapten erop, of ze gingen er naar opzoek), komen zeer expliciet aan hun eind, met bloed in hun mond, en ook kromme redeneringen bij één van hen, Davy, op p.13: die loopt wankelend over het zebrapad (…) en stort daar in elkaar. “Hij zou zijn ogen nooit meer openen”. Op p.21 voert men onderzoek uit, (en komt men erachter dat Davy zeker geen drugsdode is zoals eerst werd aangenomen, of slachtoffer van een vluchtmisdrijf) en daar heet het dat Davy’s ogen openstaan. Schrijf dan eerder dat Davy op het zebrapad doodgaat, weet ik veel, maar gebruik geen beeldspraak om het mooier te maken als je op p.22 gewag maakt dat Davy’s ogen openstaan.

Vlotlezende thriller voor jongeren, meldt de achterflap, en ik ben toch geneigd hierin te volgen, afgezien van te veel op te korte tijd, zodat je verder niets kunt uitwerken. Wie is jobstudent Sam, bijvoorbeeld, we weten alleen dat zijn oom in de Zoo werkt, en dat Sam blij is met zijn vakantiebaantje, en met Ben. (Die wel een mooie rol heeft) Geef de politiemensen meer body en ze zijn meteen veel minder oppervlakkig, zoals ze nu wel zijn, overigens zijn ze ook gewoon inwisselbaar, en over de sekteleider, Sanctus, die de slang ziet als een voorteken van de duivel, zoals gezegd, zullen we maar zwijgen, die lijkt er mij maar bijgesleurd om het verhaal te vullen en om het slechte te symboliseren, en Sam en Ben zijn “de goeien”. Laat het boek zo’n 100 pagina’s langer zijn en je hebt meteen minder sensatie en meer body.

Gebeten / Ronald Verheyen, Philippe Truyts.- Herentals : Kramat junior, 2010.- 96p.- ISBN 9789079552238