Dina’s vader heeft ander werk gevonden, en het gezin Van Sant verhuist naar een dorp zowat driehonderd kilometer van het Bietenveld vandaan, waar Zus en Dina al hun hele leven wonen. Ze moeten allebei hun vrienden en vriendje achterlaten, en dit is niet naar de zin van Zus en Dina, uiteraard. En in het dorp waar ze gaan wonen, zal vast niets te beleven zijn. En zal Dina ooit nog toneel spelen? En zal een computerscherm tussen haar, haar Senne, Martijn en Marlowies, er niet voor zorgen dat hun vriendschap verwatert als je zover weg woont van elkaar? In het dorp waar ze gaan wonen, zal Dina nooit vrienden maken, dat weet ze zeker. De tweeling tegenover de deur doet raar, er is een jongen die gras verzamelt, en nog een andere buren bidden op een matje. Nee, Dina is er zeker van, ze zal haar hele leven ongelukkig blijven in dit gat!
Een blauwgroene cover, met een lichtgroen huis erop, en met [Dina] er in zwart schaduweffect met een trolly achter zich aan slepend, en in geel de titel van het boek, en Dina’s naam in zilveren glitters en blokletters. Maar Do Van Ranst zou Do Van Ranst niet zijn als hij het schreeuwerige van de cover des te harder de kop in drukt. De cover trekt misschien wel minder grage lezers over de streep, en dat is helemaal wat Do Van Ranst en zijn Dina verdienen. Veel lezers.
Het verhuisthema wordt zeer, zeer geloofwaardig uitgewerkt, en het ontdekken van de nieuwe buurt, doet qua stijl denken aan wat Anke de Vries lang geleden voor jongere kinderen deed met haar boeken over Florien en haar buren. (“Bij ons in de straat”).
“Verre vrienden en een vlek” is een boek als een prettig zittend donsdeken in de winter, of een ligstoel in de tuin op warme zomerdagen.
Dina is er dus van overtuigd dat ze nooit, nooit vrienden zal maken, en het ziet er naar uit dat het haar in eerste instantie nog zal lukken ook. Ze blijft binnen. Maar dat is zonder haar mama gerekend, die het maar niets vindt, zo’n “niksende” dochter. En dus gaat Dina er heel voorzichtig op uit. Ze leert de tweeling Mien en Sien kennen, die zo erg op elkaar lijken dat het wel is alsof ze één meisje zijn. Maar Mien heeft een vlek. (“Waar dan?” “Op mijn rug”). En wat moet Bas “Grasman” met het verzamelen van gras? Ook hij is in eerste instantie maar een rare snuiter. En Hamid en Sharbat? Zij komen uit Afghanistan.
Zo leert de lezer heel langzaamaan, maar nooit langdradig, samen met Dina, de buurt kennen. Van Ranst weigert om vlakke karikaturen te schetsen, ook al is “Verre vrienden en een vlek” reeds het vijfde boek over Dina, een fijne meid die ontzettend graag toneel speelt en zeker een eigen wil heeft. Vlakheid is dus ook in dit vijfde boek niet aan de orde. Zo is Bas niet zomaar Bas, en is de tweeling niet alleen maar “alsof ze een meisje zijn”. Van Ranst zet zijn personages met veel liefde neer, en laat de lezer wanneer die het boek uitgelezen heeft, met een beetje een melancholiek gevoel achter.
Hoewel Hamid en Sharbat slechts nevenfiguren zijn, net als Steffie en Charlotte, weet Van Ranst hen feilloos een plek in het verhaal te geven, en weet hij zelfs een figurant, want in wezen zijn Hamid, Sharbat, Charlotte en Steffie niet meer maar zeker ook niet minder dat dat een rol te geven, zonder dat het de lezer stoort, zij zijn niet “zomaar” in het boek neergepoot.
Het zijn Bas, en de tweeling en hun familie, die samen met de familie van Dina, de hoofdrollen meekrijgen, en wel met verve. Want wat is er met de vlek op Miens rug? En waarom heeft Bas geen vader? Met dat gegeven uitgewerkt, en met Bas en Dina is het wachten op het zesde boek over Dina.
Verre vrienden en een vlek / Do Van Ranst.- Leuven : Davidsfonds Infodok, 2010.- 192p.- (Dina ; 5).- ISBN 978 90 5908 368 4
zaterdag 26 februari 2011
zondag 20 februari 2011
Ik blijf gewoon dromen van ... / Katrien Vandewoude
Rune, een dromerige jongen, houdt van muziek, en van mama en papa. En van Marie. Marie, die gouden haren heeft, en al noten kan lezen, en pianospelen. Toch zitten ze samen op pianoles. Ze raken aan de praat, worden vrienden. Maar Marie heeft het thuis niet gemakkelijk. Haar ouders staan op het punt om uit elkaar te gaan, en Marie heeft het daar heel moeilijk mee. Rune probeert dit te begrijpen, maar heeft het ook moeilijk met de manier waarop Marie hier met hem mee wil omgaan. En dan krijgt Marie van haar vader een raskat: Aladin. Nu heeft Rune helemaal afgedaan… En wat is verliefd zijn? Is Rune verliefd op Marie? Zelf beslist hij dat dit niet zo is, dat ze gewoon een goeie vriendin is.
In een poëtische stijl vertelt Vandewoude het verhaal van Rune en Marie. Ze slaagt erin om haar personages te scheppen naar hoe zij die ziet, en niet hoe pakweg een achtjarig kind “het fijn zal vinden om te lezen”, met “coole bewoordingen” en stopwoorden om populair te zijn.
Rune heeft in zijn achterhoofd mooie zinnen zitten, die ook in het boek staan, en die tot nadenken kunnen stemmen. “Soms onthoudt je meer, dan je wilt vergeten”, of “missen is fout, vergeten is nog veel erger, maar vergeten is makkelijker.”
Door het verhaal in de ik-vorm te vertellen vergroot de betrokkenheid van de lezer.
Het ontzettend jammere is dat dit boek is uitgegeven in de “Lollipop” reeks, “verhalen voor meisjes vanaf acht jaar: speelse verhalen boordevol avontuur en spanning”. De cover nodigt kinderen die eens iets anders willen lezen dan vlotte avonturenverhalen niet uit, vrees ik, om dit boek te lezen. En dat is nu net wat dit boek wél verdiend: om ook door jongens gelezen te worden. Het hoofdpersonage in dit boek IS tenslotte ook een jongen. Ook dat is een fris gegeven. Jongens die van pianospelen houden, of van muziek, of een ander instrument dan een piano… mogelijkheden zat. De cover staat vol roze, we zien een turquooize piano, en in wat een notenbalk zou moeten zijn staat nog eens met dikke letters “Lollipop”. Het boek heeft het uitzicht van een ruitjesschrift, zoals je die op school tegenkomt, met hartjes en smileys erop. En een koffergrammofoon en godbetert een cassettebandje! Een cassettebandje! Dat hebben kinderen die dit boek nu moeten lezen misschien van hun leven zelfs nog niet gezien. Zorg dan voor elementen van nu, op de cover? Een MP3 speler, een cd?
Ik blijf gewoon dromen van… / Katrien Vandewoude.- Hasselt : Clavis, 2010.- 80p. (Lollipop).- ISBN 978 90 4481240 4.
In een poëtische stijl vertelt Vandewoude het verhaal van Rune en Marie. Ze slaagt erin om haar personages te scheppen naar hoe zij die ziet, en niet hoe pakweg een achtjarig kind “het fijn zal vinden om te lezen”, met “coole bewoordingen” en stopwoorden om populair te zijn.
Rune heeft in zijn achterhoofd mooie zinnen zitten, die ook in het boek staan, en die tot nadenken kunnen stemmen. “Soms onthoudt je meer, dan je wilt vergeten”, of “missen is fout, vergeten is nog veel erger, maar vergeten is makkelijker.”
Door het verhaal in de ik-vorm te vertellen vergroot de betrokkenheid van de lezer.
Het ontzettend jammere is dat dit boek is uitgegeven in de “Lollipop” reeks, “verhalen voor meisjes vanaf acht jaar: speelse verhalen boordevol avontuur en spanning”. De cover nodigt kinderen die eens iets anders willen lezen dan vlotte avonturenverhalen niet uit, vrees ik, om dit boek te lezen. En dat is nu net wat dit boek wél verdiend: om ook door jongens gelezen te worden. Het hoofdpersonage in dit boek IS tenslotte ook een jongen. Ook dat is een fris gegeven. Jongens die van pianospelen houden, of van muziek, of een ander instrument dan een piano… mogelijkheden zat. De cover staat vol roze, we zien een turquooize piano, en in wat een notenbalk zou moeten zijn staat nog eens met dikke letters “Lollipop”. Het boek heeft het uitzicht van een ruitjesschrift, zoals je die op school tegenkomt, met hartjes en smileys erop. En een koffergrammofoon en godbetert een cassettebandje! Een cassettebandje! Dat hebben kinderen die dit boek nu moeten lezen misschien van hun leven zelfs nog niet gezien. Zorg dan voor elementen van nu, op de cover? Een MP3 speler, een cd?
Ik blijf gewoon dromen van… / Katrien Vandewoude.- Hasselt : Clavis, 2010.- 80p. (Lollipop).- ISBN 978 90 4481240 4.
zondag 13 februari 2011
De geheime gang / Daniëlle Dergent
![]() |
10+ |
om aan te tonen dat er een vorig boek is waarin Fien en haar broer Steven de hoofdrol spelen. Niet meer dan een handig trucje.
“De geheime gang” bevat alle personages die ook in “De Magische sleutel” te vinden waren, maar hiermee is alles gezegd. Ze hebben geen evolutie doorgemaakt, ook nu worden ze louter door een auteur aan een pakje papier toevertrouwd. Het is trouwens zeer de vraag of je dit boek los kan lezen van “De Magische sleutel”, “de plek die Hendrik hen de vorige keer gewezen had”, is hier een voorbeeld van: Wie is Hendrik? Dat weet je niet als je “De Magische Sleutel” niet las.
De auteur put zich uit. Ze put zich uit door ALLES ZELF te gaan bepalen in haar boek. De lezer hoeft zijn verbeelding voor geen millimeter aan te spreken, en dat is erg jammer. Voorbeelden te over hiervan, laten we dit boek eens op een willekeurige pagina openen: pagina 92: “De deur van de kelder bevond zich in de hal. Steven draaide voorzichtig de deurklink om en stak het licht aan. Het was de eerste keer dat ze hier kwamen sinds ze verhuisd waren. Kelders waren niet meteen de meest favoriete plek van Fien. ZE was al blij dat het hier niet vol spinnenwebben hing. Zo te zien had hun vader de kelder opgeruimd en alles netjes aan de kant gezet. (…)”“Steven, is er iets? Azenor had Steven in de gaten die pal was blijven staan.” Dit is wat je noemt een slecht boek. En dat is erg jammer, want hier zou veel in kunnen zitten. Het verhaal zou veel meer kunnen zijn, als de auteur niet als alwetende verteller zou optreden. Ze slaagt er niet in om haar personages zelf een leven te laten leiden, voorbeeld 2 hiervan op pagina 140: (…) Kom, Fien, ik loop wel voorop, geef je lamp maar hier. Een beetje met tegenzin, stak Fien Steven haar lamp toe. Er wordt naar hartenlust gefluisterd, gegrinnikt, gezucht, in het rond gekeken, in het gras neergeploft. Decors zijn belangrijker dan het verhaal van de witte kracht (Steven) (goed) tegen de zwarte kracht, in de figuur van Ballegaer, die koste wat het kost de spiegel van de witte kracht en de Codex Argentus in zijn bezit wil krijgen om macht te verwerven.
Aan het eind van het boek staat “de magere man” weer in de struiken verstopt, te kijken naar de torenkamer van huisnummer 28 aan de Regenboogstraat, waar zich de spiegel bevindt…. Een vervolg op "De geheime gang" is dus weldegelijk te verwachten..
En toch. Op de website van Dergent staat in haar gastenboek te lezen dat kinderen haar boeken wél kunnen smaken. Maar het is voor een volwassene die kinderboeken beoordeeld, te makkelijk om daarin mee te gaan, net omdat kinderen waarschijnlijk helemaal over al die uitleggerige manier van vertellen (dit gaat zelfs niet meer over een “uitleggerige ‘toon’ van een boek”) heenlezen, en mee leven met Fien en Steven. Maar het is te gemakkelijk.
Boeken over witte krachten tegenover zwarte krachten, zijnde goed tegen slecht, voorbeelden te over van boeken die veel beter in elkaar zitten, of waar personages wél veel body mee krijgen zijn legio. De Harry Potterreeks is er zo een, ook al vinden veel mensen dat waarschijnlijk ook maar een gemakkelijkheidsmogelijkheid, of “Meester van de Zwarte Molen” van Otfried Preussler, uit 1971, waarvan ik de personages tot op de dag van vandaag een warm hart toedraag.
En het moet gezegd: Dergent heeft de Harry Potterboeken wat mij betreft goed gelezen: om er ideeën uit te halen. Ideeën zoals we ze vinden in de zilten uit "De magische sleutel".
De geheime gang / Danielle Dergent.- Antwerpen : Manteau, 2010.- 250p.- ISBN 978 90 223 2504 9
zondag 6 februari 2011
Dierenroof / Inge de Bie ; Wilbert van der Steen
Uit kinderboerderij de Beestenberg in het dorp Oudestad zijn twee oude papegaaien en een babygeitje gestolen. Niemand weet waar de dieren zijn en waarom ze gestolen werden. En WIE zit er achter de diefstallen?
Veerle, een meisje dat sinds zes maanden in Oudestad woont, gaat samen met Bart, Haidar (BH), haar beste vriendin Juul en met Saskia, een klasgenootje, op onderzoek uit. Dit boek biedt geen actie om de actie, er komen geen gesofistikeerde spullen aan bod om de kinderen dit onderzoek te laten voeren, zoals walkietalkies of zelfs maar mobiele telefoons. Enkel Karst heeft er eentje. Het ontbreken van deze elementen, maken het boek geloofwaardig. Wanneer je trouwens actie om de actie zou willen inbouwen, kun je je personages best heldhaftig laten zijn, ten koste van de geloofwaardigheid, en een advertentie in de krant laten zetten, maar Veerle weet dat dit veel te duur is! Het blijft dus bij een advertentietje bij de friettent, dat mag gratis. Ook internet is in dit boek in geen velden of wegen te bekennen. Zo blijft de speurtocht een heerlijk nuchtere onderneming “van de oude stempel”, zonder dat het belachelijk wordt. Tussendoor is er gewoon tijd voor school.
Het is een rustig kabbelend boek, en de acties die gevoerd worden, zijn echt op kindermaat. Niemand is extra sterk, of extra lief, de Bie schetst kinderen van vlees en bloed. Mama’s en papa’s zijn aanwezig, net als broers en zussen (Juul heeft één broer: Karst). Zij zorgen voor afremming van de avonturenverhaallijn, en zorgen ervoor dat onze speurneuzen steeds kunnen terugvallen op een warm nest. De gezinssituaties van de personages zijn heel gewoon. De personages bieden voldoende diepgang in dit luchtige verhaal, ze zijn geen vlakke karikaturen. Het verhaal wordt verteld in de ik-vorm, je krijgt het verhaal te lezen vanuit het gezichtsstandpunt van Veerle, wiens moeder na haar geen kinderen meer kon krijgen. Dit gegeven wordt in het verhaal verwerkt, zonder dat het drammerig wordt, maar de lezer komt wel te weten dat dit soms weegt op het gezin.
Ook de rol van vriendschappen en hoe jongens en meisjes verschillend van elkaar zijn, komt aan bod: (…) ‘Let maar niet op ons’, lacht Bart. Zo doen we wel vaker tegen elkaar. (…)’ omdat we zulke goede vrienden zijn’. (…) Als we naar binnen lopen denk ik aan Haidar en Bart. Zouden beste vrienden altijd zo tegen elkaar doen? Ik doe dat nooit met Juul, wel met Saskia. Met haar heb ik veel vaker ruzie en we katten best veel op elkaar. Zou Saskia dan eigenlijk mijn beste vriendin zijn? Of zouden jongens en meisjes dat gewoon anders doen?
De toon van dit boek wordt soms veel te uitleggerig, zoals aan het begin van hoofdstuk zes het geval is: (…) “Juul en ik hebben een handige truc verzonnen: met een dikke stok lopen we om de beurt langs de schutting en ratelen over alle planken om te kijken of er niet ergens eentje loszit” (…) waarna een hele pagina uitleg volgt over wat ze eerst deden, en zelfs het geluid van de stok wordt weergegeven.
Het boek zit vol woord- en taalgrapjes, wat de leesbaarheid en het willen verder lezen, versterkt. Veerles vader heet bijvoorbeeld Joost, en op p16 leidt dit tot volgende dialoog: (op weg naar de kinderboerderij, die ze niet gevonden hebben) (…) ‘Geen idee, lieve schat’ (…) ‘Weet jij het, Joost?’ ‘Joost mag het weten’.
En wat is “iemand heeft de papegaaien geschonken?” zaten ze misschien in een fles?
Het taalgebruik en vooral de zinsbouw, konden veel beter op sommige momenten. Het verhaal wordt er stroef door, en werkt soms ronduit storend in dit verder vlotlezend boek, fris als een glas frisdrank met ijsblokjes.
Op p.41 lezen we dat zijn gezicht vertrekt. Terwijl de opzichter van de kinderboerderij, bij het denken aan die papegaaien een beetje triest wordt, dus zou er moeten staan dat zijn gezicht betrekt. (“alsof het ineens nacht in hem is geworden”, wat wel een mooie beeldspraak is)
P.43: een beetje duizelig ben ik nog steeds als we met z’n vieren door het park naar huis lopen.
Op p87 staat ook een dergelijke zinsconstructie: “Want het komt uit in een plantsoen met bosjes. Spelen we vaak, daar.”
p.90: “Nog dichter ga ik achter Haidar lopen.”
Redactiewerk zou hieraan kunnen verhelpen, want deze zinnen hebben een verkeerde woordvolgorde!
“Petje” lijkt voor Vlamingen helemaal niet “heel erg” op hoe hij echt heet: Patrick. Maar of dit element Vlaamse kinderen zal beletten dit een leuk weglezend boek te vinden, valt te betwijfelen.
De illustraties in zwart/wit door Wilbert van der Steen dienen enkel ter verluchting van de tekst, of als pauzetoets. Snelle pennentrekken, die geen emoties laten zien, en dat zou wel mogen, wanneer Juul huilt om haar oma die doodgegaan is, bijvoorbeeld. Terwijl achtjarigen voor wie het boek volgens de uitgever bedoeld is, mooie tekeningen in een leesboek wel weten te appreciëren. Dat hoeven ook niet steeds tekeningen in kleur te zijn.
Dierenroof / Inge de Bie ; Wilbert van der Steen.- The House of Books, 210.- 222p.: ill.- ISBN 978 90 443 2653 6
Veerle, een meisje dat sinds zes maanden in Oudestad woont, gaat samen met Bart, Haidar (BH), haar beste vriendin Juul en met Saskia, een klasgenootje, op onderzoek uit. Dit boek biedt geen actie om de actie, er komen geen gesofistikeerde spullen aan bod om de kinderen dit onderzoek te laten voeren, zoals walkietalkies of zelfs maar mobiele telefoons. Enkel Karst heeft er eentje. Het ontbreken van deze elementen, maken het boek geloofwaardig. Wanneer je trouwens actie om de actie zou willen inbouwen, kun je je personages best heldhaftig laten zijn, ten koste van de geloofwaardigheid, en een advertentie in de krant laten zetten, maar Veerle weet dat dit veel te duur is! Het blijft dus bij een advertentietje bij de friettent, dat mag gratis. Ook internet is in dit boek in geen velden of wegen te bekennen. Zo blijft de speurtocht een heerlijk nuchtere onderneming “van de oude stempel”, zonder dat het belachelijk wordt. Tussendoor is er gewoon tijd voor school.
Het is een rustig kabbelend boek, en de acties die gevoerd worden, zijn echt op kindermaat. Niemand is extra sterk, of extra lief, de Bie schetst kinderen van vlees en bloed. Mama’s en papa’s zijn aanwezig, net als broers en zussen (Juul heeft één broer: Karst). Zij zorgen voor afremming van de avonturenverhaallijn, en zorgen ervoor dat onze speurneuzen steeds kunnen terugvallen op een warm nest. De gezinssituaties van de personages zijn heel gewoon. De personages bieden voldoende diepgang in dit luchtige verhaal, ze zijn geen vlakke karikaturen. Het verhaal wordt verteld in de ik-vorm, je krijgt het verhaal te lezen vanuit het gezichtsstandpunt van Veerle, wiens moeder na haar geen kinderen meer kon krijgen. Dit gegeven wordt in het verhaal verwerkt, zonder dat het drammerig wordt, maar de lezer komt wel te weten dat dit soms weegt op het gezin.
Ook de rol van vriendschappen en hoe jongens en meisjes verschillend van elkaar zijn, komt aan bod: (…) ‘Let maar niet op ons’, lacht Bart. Zo doen we wel vaker tegen elkaar. (…)’ omdat we zulke goede vrienden zijn’. (…) Als we naar binnen lopen denk ik aan Haidar en Bart. Zouden beste vrienden altijd zo tegen elkaar doen? Ik doe dat nooit met Juul, wel met Saskia. Met haar heb ik veel vaker ruzie en we katten best veel op elkaar. Zou Saskia dan eigenlijk mijn beste vriendin zijn? Of zouden jongens en meisjes dat gewoon anders doen?
De toon van dit boek wordt soms veel te uitleggerig, zoals aan het begin van hoofdstuk zes het geval is: (…) “Juul en ik hebben een handige truc verzonnen: met een dikke stok lopen we om de beurt langs de schutting en ratelen over alle planken om te kijken of er niet ergens eentje loszit” (…) waarna een hele pagina uitleg volgt over wat ze eerst deden, en zelfs het geluid van de stok wordt weergegeven.
Het boek zit vol woord- en taalgrapjes, wat de leesbaarheid en het willen verder lezen, versterkt. Veerles vader heet bijvoorbeeld Joost, en op p16 leidt dit tot volgende dialoog: (op weg naar de kinderboerderij, die ze niet gevonden hebben) (…) ‘Geen idee, lieve schat’ (…) ‘Weet jij het, Joost?’ ‘Joost mag het weten’.
En wat is “iemand heeft de papegaaien geschonken?” zaten ze misschien in een fles?
Het taalgebruik en vooral de zinsbouw, konden veel beter op sommige momenten. Het verhaal wordt er stroef door, en werkt soms ronduit storend in dit verder vlotlezend boek, fris als een glas frisdrank met ijsblokjes.
Op p.41 lezen we dat zijn gezicht vertrekt. Terwijl de opzichter van de kinderboerderij, bij het denken aan die papegaaien een beetje triest wordt, dus zou er moeten staan dat zijn gezicht betrekt. (“alsof het ineens nacht in hem is geworden”, wat wel een mooie beeldspraak is)
P.43: een beetje duizelig ben ik nog steeds als we met z’n vieren door het park naar huis lopen.
Op p87 staat ook een dergelijke zinsconstructie: “Want het komt uit in een plantsoen met bosjes. Spelen we vaak, daar.”
p.90: “Nog dichter ga ik achter Haidar lopen.”
Redactiewerk zou hieraan kunnen verhelpen, want deze zinnen hebben een verkeerde woordvolgorde!
“Petje” lijkt voor Vlamingen helemaal niet “heel erg” op hoe hij echt heet: Patrick. Maar of dit element Vlaamse kinderen zal beletten dit een leuk weglezend boek te vinden, valt te betwijfelen.
De illustraties in zwart/wit door Wilbert van der Steen dienen enkel ter verluchting van de tekst, of als pauzetoets. Snelle pennentrekken, die geen emoties laten zien, en dat zou wel mogen, wanneer Juul huilt om haar oma die doodgegaan is, bijvoorbeeld. Terwijl achtjarigen voor wie het boek volgens de uitgever bedoeld is, mooie tekeningen in een leesboek wel weten te appreciëren. Dat hoeven ook niet steeds tekeningen in kleur te zijn.
Dierenroof / Inge de Bie ; Wilbert van der Steen.- The House of Books, 210.- 222p.: ill.- ISBN 978 90 443 2653 6
vrijdag 4 februari 2011
Droomtuin / Ingrid Kluvers
Joop heeft een leuk leven, en vier ouders. Twee vaders en twee moeders, die allemaal evenveel van haar houden. Ze heeft fijne vriendinnen, Mees en Juul, en er is haar beste vriend Dennis. Op school krijgt ze zelfs een hoofdrol in de musical “Grease”. Maar dan wordt Joop ziek, en ze wordt met spoed opgenomen in het ziekenhuis. Alles wordt nu heel onzeker voor Joop: door de ziekte van Lyme, heeft ze een hersenvliesontsteking en een hersenzenuwontsteking die ze moet overwinnen. Hierdoor heeft ze wanneer ze bijkomt, last van afasie, en kan ze zich de simpelste woorden niet meer herinneren. Gelukkig is er Thomas, die op een dag haar kamer wordt binnengereden, na een ongeval in het bos. Thomas is de hunk van de school, en Joop wordt hopeloos verliefd op hem. Maar Thomas heeft een geheim…
Het verhaal begint in het ziekenhuis, en we maken kennis met Joop, wanneer zij net wakker is geworden. Meteen weten we ook dat ze vier ouders heeft, maar dit gegeven is geen issue in dit boek, en het wordt er niet nog problematischer door. Dit boek heeft veel, mede omdat Joop vier ouders heeft, en daar niet uitleggerig over wordt gedaan. Joop vindt dat heel gewoon, ook al verzwijgt ze dit liever nog voor Thomas.
De ziekte van Lyme, een ziekte die je kunt oplopen door de beet van een teek, wordt in dit boek goed uitgelegd, en ook wat dat met iemand kan doen. Joop heeft weldegelijk vragen, over alles waarmee een twaalfjarige weleens worstelt: verliefdheid, geliefd willen zijn. Dat haar ouders ook weleens deel uitmaken van haar twijfels, is heel normaal, en dan is er Oot, haar oma, en rots in de branding. Ze kan ook steeds terecht bij Mees, haar beste vriendin, die roodharig is, bij Juul, die geboren is met een hazenlip, en daaraan ook al verschillende keren werd geopereerd, en tenslotte is er haar beste vriend Dennis, die uit Suriname komt. Iedereen in Joops omgeving heeft dus wel iets, waardoor ons clubje “anders is dan anderen”.
Het is een beetje veel, ALLE problemen die een meisje kan hebben, komen aan bod, van jaloerse beste vriendinnen over verliefdheid, over angsten en twijfels na een zware ziekte. Ze schrijft hierover ook aan Molly (Molly de pollie), haar dagboek. Molly is trouwens naar analogie met Kitty, het dagboek van Anne Frank. Dit dagboek werkt trouwens ook therapeutisch: Joop moet veel lezen, schrijven en computerspelletjes doen, om van haar afasie af te komen.
De volwassenen in dit boek hebben allemaal een zeer ondersteunende rol, het is niet zo dat Joop en haar vriendinnen en vriend alleen door alle ellende moeten, en ze kunnen steeds bij hen terecht.
Het taalgebruik is zuiver, met hier en daar gebruik van jongerentaal en Engelse krachttermen. Mobiele telefoons zijn ten overvloede aanwezig, en moet er worden afgesproken, wordt er ge-sms’t. Joop stuurt soms zelfs berichtjes naar haar oma wanneer die beneden in de keuken is.
Dit is geen boek waarin elementen zitten om “toch maar te scoren bij de doelgroep”, al zitten er wel populaire sterren van nu in. Denken we maar aan Rihanna en KT Tunstall, die beluisterd worden met een i-pod. En er is “Grease” natuurlijk. Waardoor je als lezer bij het lezen van dit boek, voortdurend muziek in je hoofd kunt hebben.
Ondanks alle problemen die in dit boek voor komen, en zeer direct worden beschreven, is dit een erg geloofwaardig en goed geschreven boek.
Droomtuin / Ingrid Kluvers.- Amsterdam : Moon,2010.- 223p.- ISBN 978 90 488 0442 9
Het verhaal begint in het ziekenhuis, en we maken kennis met Joop, wanneer zij net wakker is geworden. Meteen weten we ook dat ze vier ouders heeft, maar dit gegeven is geen issue in dit boek, en het wordt er niet nog problematischer door. Dit boek heeft veel, mede omdat Joop vier ouders heeft, en daar niet uitleggerig over wordt gedaan. Joop vindt dat heel gewoon, ook al verzwijgt ze dit liever nog voor Thomas.
De ziekte van Lyme, een ziekte die je kunt oplopen door de beet van een teek, wordt in dit boek goed uitgelegd, en ook wat dat met iemand kan doen. Joop heeft weldegelijk vragen, over alles waarmee een twaalfjarige weleens worstelt: verliefdheid, geliefd willen zijn. Dat haar ouders ook weleens deel uitmaken van haar twijfels, is heel normaal, en dan is er Oot, haar oma, en rots in de branding. Ze kan ook steeds terecht bij Mees, haar beste vriendin, die roodharig is, bij Juul, die geboren is met een hazenlip, en daaraan ook al verschillende keren werd geopereerd, en tenslotte is er haar beste vriend Dennis, die uit Suriname komt. Iedereen in Joops omgeving heeft dus wel iets, waardoor ons clubje “anders is dan anderen”.
Het is een beetje veel, ALLE problemen die een meisje kan hebben, komen aan bod, van jaloerse beste vriendinnen over verliefdheid, over angsten en twijfels na een zware ziekte. Ze schrijft hierover ook aan Molly (Molly de pollie), haar dagboek. Molly is trouwens naar analogie met Kitty, het dagboek van Anne Frank. Dit dagboek werkt trouwens ook therapeutisch: Joop moet veel lezen, schrijven en computerspelletjes doen, om van haar afasie af te komen.
De volwassenen in dit boek hebben allemaal een zeer ondersteunende rol, het is niet zo dat Joop en haar vriendinnen en vriend alleen door alle ellende moeten, en ze kunnen steeds bij hen terecht.
Het taalgebruik is zuiver, met hier en daar gebruik van jongerentaal en Engelse krachttermen. Mobiele telefoons zijn ten overvloede aanwezig, en moet er worden afgesproken, wordt er ge-sms’t. Joop stuurt soms zelfs berichtjes naar haar oma wanneer die beneden in de keuken is.
Dit is geen boek waarin elementen zitten om “toch maar te scoren bij de doelgroep”, al zitten er wel populaire sterren van nu in. Denken we maar aan Rihanna en KT Tunstall, die beluisterd worden met een i-pod. En er is “Grease” natuurlijk. Waardoor je als lezer bij het lezen van dit boek, voortdurend muziek in je hoofd kunt hebben.
Ondanks alle problemen die in dit boek voor komen, en zeer direct worden beschreven, is dit een erg geloofwaardig en goed geschreven boek.
Droomtuin / Ingrid Kluvers.- Amsterdam : Moon,2010.- 223p.- ISBN 978 90 488 0442 9
Abonneren op:
Posts (Atom)




