vrijdag, april 24, 2009

De verboden vraag / Michael Morpurgo ; Michael Foreman

Lesley is een jonge journaliste die door een toevalligheid de wereldberoemde violist Paolo Levi mag interviewen. Ze is door het dolle heen “de een zijn dood, is een ander zijn brood”, is namelijk op haar situatie van toepassing. Levi houdt niet van interviews geven en heeft al menig journalist gewoon de deur gewezen – maar de journaliste die het interview in Venetië zou hebben met Levi, heeft een skiongeluk gehad. Lesley wordt gebrieft, ook over “de verboden vraag”. Lesley zegt maar “ja” op Meryls vraag of ze weet heeft van die éne vraag die ze zeker niet mag stellen. Ook wat ze verder over hem weet, ratelt ze af. Maar Lesley is heel erg zenuwachtig, en bang om fouten te maken.
Bij Levi aangekomen, doet deze haar een voorstel: zij mag één vraag stellen, en hij zal een verhaal vertellen… Daarna zullen andere vragen overbodig zijn.
“Maar de maestro vindt haar aardig”, meldt de achterflap, “en hij begint uit zichzelf te vertellen…”

Ook hier: de achterflap alleen zou er me niet toe bewegen dit boek te lezen. Wel wanneer ik het boek opensla, en lees dat de oorspronkelijke titel van dit boek “The Mozartquestion” is. En verwacht wat mij betreft ook zeker niets fabelachtigs. “Fabelachtig mooi” is dit boek in elk geval wel, maar het is absoluut geen “fabel”, zoals de achterflap meldt.

Hoe is Paolo (De achterflap spreekt zelfs van Paulo, terwijl er het hele boek door gebruikgemaakt wordt van Paolo) geworden wie hij is?
“Hij houdt niet van applaus, blijft er niet op wachten. Hij gelooft er blijkbaar niet in. (…) Hij vindt dat als er zo nodig geapplaudisseerd moet worden, het voor de muziek moet zijn, of eventueel voor de componist, maar in geen geval voor de uitvoerend musicus. Hij zegt dat de stilte na de uitvoering deel uitmaakt van de muziek en niet onderbroken zou mogen worden.” (…) Vindt dat muziek levend moet zijn, niet ingeblikt”. “Ik heb een hekel aan kou”. “Taal lijkt op muziek. Je leert het het beste door te luisteren. (…) “Geluid heeft ruimte nodig om te ademen. Net als wij lucht nodig hebben.”

Waarom is hij zo’n begenadigd muzikant? Uit passie, zo blijkt, en omdat het – als je het verhaal leest – zijn lot is, of het zo is moeten zijn. Levi werd echter niet in die richting geduwd, en dit boek gaat ook niet over het worden van een zeer beroemd iemand. Integendeel, bijna. Maar al te verre uitwijdingen over de titel is het boek – voor wie het nog niet las – oneer aandoen. De Verboden Vraag heeft alles te maken met wat Paolo’s ouders hebben meegemaakt tijdens Wereldoorlog II, en dat is weer een heel andere kant uit die oorlog die op heel korte tijdspanne van nauwelijks 72 bladzijden die dit boekje telt, wordt uitgelegd - zij het op een fractie van het boek. Morpurgo heeft zich hierover ook zeer goed gedocumenteerd. Achteraan in het boek zit ook – beetje een modetrend, zo lijkt het wel – een “bericht van de schrijver.” Het is echter raadzaam om eerst het verhaal te gaan lezen, en niet eerst naar achteraan het boek te bladeren.

Hier en daar had ik wel het gevoel dat het interview door Lesley er niet echt bij hoefde, en het is al helemaal niet zo dat expliciet uit de tekst blijkt dat Signor Levi haar aardig vindt. Maar dat is goed zo: zo wordt louter op het leven van Paolo Levi gefocust.
Ook de tijdspanne in het boek klopt, maar vergt enig rekenwerk.

Dit is een zeer indrukwekkend maar klein meesterwerkje, met prachtige tekeningen van Michael Foreman, een wereldberoemde illustrator, die zeer veel gevraagd wordt. Wanneer je de prenten bekijkt, merk je wellicht meteen op waarom dit zo is. Ook in dit boek levert hij meesterwerkjes af, die soms voorafgaan wat de tekst vertelde of wat de tekst nog zal vertellen.
Ook Paolo’s woonplaats Venetië wordt heel mooi in de prenten weergegeven.

Zowel in de tekst als in de tekeningen zitten grote emoties vervat, die een element uit WOII zo treffend weten te vatten voor kinderen vanaf een jaar of acht. Voorlezen kan zeker ook al vanaf deze leeftijd.

Morpurgo heeft sinds ik zijn boek “Het verbluffende verhaal van Adolphus Tips” las, een streepje voor. Om zijn taal, en om de warmte die in zijn verhalen zit, en hoe de personages met elkaar omgaan. Over liefde zonder klefheid, om maar een element te noemen.

De verboden vraag / Michael Morpurgo ; Michael Foreman (ill.) ; vertaald door Jenny de Jonge.- Amsterdam : Arena, 2008.- 72p.: ill.- Oorspronkelijke titel: The Mozart Question.- ISBN: 978 90 6974 953 2

woensdag, april 22, 2009

De stoerste jongen van de wereld / Eoin Colfer ; Tony Ross

Willem is een negenjarige jongen, die samenleeft met zijn drie broertjes en zijn ouders. Hij vindt het jammer dat zijn ouders niet veel tijd hebben om naar hem te luisteren. Daarom vraagt hij zijn opa naar verhalen. Gelukkig is opa wel altijd in om fijne verhalen te vertellen. Alleen … Zijn verhalen zijn altijd tien keer erger dan wat Willem hem vertelt. Willem wil zijn opa graag overtroeven. Gelukkig komt zijn vader met een verhaal, van toen Willem heel erg klein was. Toen wilde hij “De stoerste jongen van de wereld" worden…
Geestig, grappig, zonder taalfouten. Goed uitgewerkt. De kinderen in dit huis zijn echte kinderen, met kinderlijke wensen die omdat mama en papa het maar niets vinden, niet kunnen vervuld worden, zoals een snookertafel in de garage. Of nog: Martin wil een brommer, maar dat mag niet: “waarom niet? Ik ben bijna tien en dat is bijna zestien… Papa komt er soms speciaal voor kijken wanneer Martin weer staat te mopperen, "hij vindt zijn zoontje Martin vaak grappiger dan een komiek op tv"… (p.11) Het leuke is dat ouders in dit boek ECHTE ouders zijn: ze zijn dol op hun kinderen, maar verbieden hen ook dingen, als een kaal hoofd, of snoepen voor het eten. (p14) Ook de titel is geen “heldenverhaal” zoals je zou kunnen verwachten, maar een (toch wel hachelijk, voor een kind van 2) voorval dat is gebeurd toen Willem klein was. Dat krijg je als lezer voorgeschoteld. Toch staan er hier en daar elementen in het boek, die mij mijn wenkbrauwen doen fronsen. P.34: (Willem is begonnen met opa verhalen te vertellen, en hij is aanbelandt bij een verhaal over naar de grote WC gaan op school, en merken dat het toiletpapier op is.) Opa vertelt: Toen ik klein was, hadden we geen geld voor wc-papier. Mijn moeder gebruikte dus alles wat voorhanden was. (…) Onderandere chipszakjes passeerden de revue. Chipszakjes? In opa’s tijd? Willems opa is 70 (p.39), en afgeteld dat dit boek in 2007 is verschenen, is hij dan geboren in 1937. Ik geloof nooit dat er in die tijd al chips werd verkocht… Bedenking. Willem wil aan papa een verhaal vragen (p42) om opa te overtroeven. En papa verteld. Je krijgt het verhaal van kleine Willem, die twee is (p.44: 6 jaar geleden was Willem 2, terwijl het op p.46 weer een verhaal is van zeven jaar geleden. (Het verhaal van de grote gombeer…) Om uit te maken wie van tante de grote gombeer kreeg, zei ze een rijmpje op: “Wie is de stoerste jongen van de wereld?” Martin won steeds, en dat maakte kleine Willem (fel kereltje, blijkbaar!) stikjaloers. Martin wil echter niet dat zijn broertje ooit de grote gombeer zal te pakken krijgen. Dus hij verzint een list om hem buiten te werken. Willem is dol op strepen, en Martin dumpt hem daar, en Willem loopt, loopt, loopt. Tot bij de grote weg… Ik kan overigens moeilijk geloven (p.67) dat Martin vier is. Zouden vierjarigen tot zoiets in staat zijn? Het is echt redelijk eng, het geloop van Willem over die witte streep. Martins moeder komt erachter wat Martin heeft uitgespookt, en ze is echt heel boos. Op p.79 wil Martin doen alsof hij heel ontspannen is. Dus hij doet wat papa altijd doet. Hij legt zijn voeten op tafel en leest de krant. (Martin is nog steeds slechts vier of vijf jaar) Ik vind dit eigenlijk nogal overdreven. Kinderen en dan vooral jongens zijn geen doetjes, en ze duvelen weleens, maar “doen alsof er niets aan de hand is, dmv een krant?" Gelukkig is de volwassene in dit boek echt een volwassene en heeft ze het snel door dat er iets grondig mis is. Martin moet voor straf de luiers (ze gebruiken in dit gezin nog doeken die met kookwas worden uitgewassen, in het bad) omroeren. De broertjes vinden dit heerlijk, en ze doen er alles aan om hun luiers zo vies mogelijk te maken: erwtjes en worteltjes eten, … Ook dit lijkt me eerder vreemd: welke driejarige heeft nou door welke straf zijn broer moet uitvoeren, en hoe zij daar een smerig rolletje in kunnen spelen (p.96) Maar opa is wel onder de indruk van Willems verhaal… En dat telde natuurlijk! Anderzijds wordt dit boek nooit belachelijk of te triest. Het is een echt jongensboek, denkelijk, maar wel erg grappig, zonder ooit onnozel te worden.
De stoerste jongen van de wereld / Eoin Colfer ; vert. Annelies Jorna ; Ill.: Tony Ross.- Amsterdam : Pimento, 2007. - De stoerste jongen van de wereld / Eoin Colfer ; vert. Annelies Jorna ; Ill.: Tony Ross.- Amsterdam : Pimento, 2007.- oorspr.engelse titel: The Legend of the worst boy in the world-978 90 499 2232 0

dinsdag, april 21, 2009

De wonderlijke lotgevallen van Olle en Lena / Maria Parr

“De wonderlijke lotgevallen van Olle en Lena.” Hiermee zou een heel boek kunnen verteld zijn in één zin, maar dat is met dit boek geenszins het geval. Toen ik opzoek ging naar informatie over Maria Parr schrok ik. Astrid Lindgren zou trots zijn op deze jongedame. Amper 27 en al zo’n boek op je actief, het is knap. Olle en Lena wonen naast elkaar in een idillisch dorpje dat door de bewoners Knal Matilde wordt genoemd, bij de Noorse Fjorden. Wat de lezer voor de kiezen krijgt, zijn hun doodgewone avonturen, die ze meemaken met hun gezin. Lena woont alleen met haar moeder, en wil graag een papa. Olle woont samen met zijn mama, papa, zijn aangenomen zus Minda, uit India, zijn dertienjarige – soms pesterige broer – Magnus, zijn kleine zusje Krullie, die drie is, en zijn opa. (Die hij de “beste volwassene vindt die ik ken”) Hiermee wordt meteen de toon van respect voor elkaar gezet. Wat in dit boek beschreven wordt, zijn heel gewone dingen, als midzomervuur (iets wat in België en Nederland niet voorkomt), en hoe je daar in kunt opgaan. Het in brand steken van de pop die Olle en Lena (normaliter is dat Magnus’ taak) gemaakt hebben uit een heel oude pop die van haar moeder is geweest, is ronduit hilarisch, maar ook tragisch. (Zorg ervoor dat ze niet echt verbrandt…) Iedereen vindt Olle en Lena’s heks echt heel erg mooi, is onder de indruk. Magnus lachte Olle en Lena uit, maar Lena kreeg een van haar beruchte woede-aanvallen: (“Dat daar? Dat is de krakkemikkigste heks die ik ooit heb gezien. Goed dat ze straks in de fik gaat!” Ik werd bgehoorlijk pissig. Lena werd nog pissiger. “Rot op en ga op het strand je eigen vuurtjee stoken!” brulde ze zo hard dat de lucht tot in mijn trui trilde. Je zou Lena trouwens de hoofdpersoon uit het boek kunnen noemen, maar eigenlijk gaat dit boek over de twee families die naast elkaar wonen. Hier en daar vond ik toch een slechte vertaling, geloof ik. P9: (Lena is in het vorige hoofdstuk van de kabelbaan, die Olle en zij voor hun slaapkamerramen hebben gemaakt, om bij elkaar te komen, gedonderd (En toen kon Lena Lid eindelijk loslaten en uit de hemel komen vallen – als een overrijpe appel (…) (Het is verdomme jouw schuld, Olle… Lena vloekt als een kettertje.): We zitten in dezelfde klas, Lena en ik. (Ook iets dat mij stoorde, maar het hield gelukkig niet het hele boek aan, de eerste drie hoofdstukken beginnen vrijwel met “Lena en ik”. Deze zinsbouwen in de eerste drie hoofdstukken, beloven iets heel ergs, wat – gelukkig maar! – niet zo is. Door zo je hoofdstukken te beginnen, lijkt het alsof Lena dood is.) Gelukkig was heet nu zomervakantie, anders lag ze te creperen in coma, zoals zij dat noemt. Waarom is het gelukkig zomervakantie? Volgens mij kan Lena evengoed gekke streken uithalen tijdens het schooljaar, en dat blijkt uit de rest van het boek?
Het fijne aan dit boek is ook dat er voor Olle en de lezer een soort rode draad doorheen het boek loopt: de vraag voor Olle of Lena ook voor hem zijn beste vriend is… (p.9 ook: Lena is mijn beste vriend, ook al is ze een meisje. Dat heb ik haar nog nooit verteld. Ik durf niet omdat ik niet weet of ik ook wel hààr beste vriend ben. (…) vooral wanneer er zulke dingen gebeuren als dat ze van kabelbanen omlaag stort op matrassen die ik daar heb neergelegd ; dan wou ik dat ze zei dat ik haar beste vriend was.
De zondagsschool is ook iets wat in Nederland en Vlaanderen waarschijnlijk niet zo bekend is. Olle en Lena gaan er op een zondag samen naartoe (p.25), en ze nemen Krullie mee. Zij heeft haar laarzen verkeerdom aan, en moest bergopwaarts steeds worden gedragen. Kun je als grote broer je zusje niet helpen om die laarzen juist aan te doen, zodat je je zusje niet hoeft te dragen? Ze leren over de ark van Noach, wat hen op het idee brengt om ook een ark – bark! Te bouwen. Dat dit moet misgaan, het is duidelijk, maar het is fijn dat je dat als lezer helemaal voor je kiezen krijgt, dat de kinderen in eerste instantie maar doen. (p.27, het boek staat vol taalkundige heerlijkheden: “De bark (dat is een boot die echt bestaat) van Noach moest het zijn, vond Lena. Iedereen weet dat een bark een boot is. Ark klinkt meer als een halve hark. Lena zuchtte teleurgesteld over de schrijvers van de Bijbel. Barken zijn best wel oude boten, zie ik. Lena knikte. “Daarom zijn de dinosaurussen ook uitgestorven, Olle, ze zijn verdronken. Noachs boot was gewoon te gammel voor ze. (p.26: schrijven ze fouten in de Bijbel? Ze schreven geen fouten in de Bijbel, toch?” (…) Misschien waren nog niet alle letters uitgevonden, zei Lena. Want het is keilang geleden! (Waarom moet de vertaling modern aandoen?)
Op pagina 31 krijgen Olle en Lena straf voor het maken van de ark, wat ze heel serieus wilden nemen, tot Oom Tor erachterkomt: “Als jij, Olle DaNielsen Buitenhof, of jij, Lena Lid, ook maar in mijn buurt komt voor er een halfjaar voorbij is, dan timmer ik jujllie hoofd tot onder in je buik (…) Waarop Lena, wanneer ze een eind verder zijn gehold, opmerkt: “Wanneer je hoofd in je buik zit, dan kun je in elk geval door je navel kijken.” En zo gaat dit boek vredig door, met misverstanden over een papa die Lena wil (p.38), die ze later ook krijgt in de vorm van een dokter die aan huis komt. Tante oma gaat dood, en Lena komt hierrond de boel toch wat opvrolijken. Op p.98 komt nog eens naar voor dat Olle bang is om Lena te verliezen, maar hij is ook bang dat dat voor Lena niet zo is. Terwijl Lena aan het eind toch natuurlijk wel zijn beste vriend is. Dit boek is vol, zonder dat het saai of onnozel wordt, vol grapjes, en toch als het leven zelf. Het leven op het platteland, in Noorwegen. Ik zei het al: Astrid Lindgren zou trots geweest zijn.
Een lijstje:
p.38: Lena heeft een briefje opgehangen in de Rimi, waar op staat dat ze een papa wil, en dat zorgt voor misverstanden. Boven Lena’s briefje hing ook een briefje waarin naar een zindelijke puppie werd gevraagd. Hilarisch, wat volgt.
p.45: Lena zegt over het zangfestival, waar Olles moeder heengaat, dat opa zingt als een neergestorte kraai. Dat vind ik een grappig beeld, voor zo’n klein ding.
Op p.57 komt een Croquetspel aan bod. Wat is dit? Op p.61 maakt Lena voor zichzelf Lena’s speciaalontbijt, “iets wat zo ongezond is, dat je het alleen kunt maken als je alleen thuisbent. Het zou wel fijn zijn om te weten wat daar dan in zit, geloof ik.
p.70: “Ik zit vol zeeroversbloed, zei ik tegen Lena.” “Puh!, dat is zo’n klein beetje dat alles er al uitstroomt bij de eerste de beste bloedneus! Zei Lena dwars.
p.77 loopt een beetje stroef: het is treurig hoe de tijd vliegt, mijmert Lena. Dat is niet meteen iets wat ik met haar associeer. Ook: ze gaan met z’n tweeën naar de vierde klas. In de voetnoot onderaan staat dat de Noorse vierde klas vergelijkbaar is met groep zes van een Nederlandse basisschool. Hoe zit dat dan met Vlaanderen?
p.78 (weer twijfel over beste vrienden van Olles kant: Juf Ellisiv vraagt Olle of Lena en hij beste vrienden zijn, waarop Olle antwoordt: “De helft van ons in elk geval wel…”
op p.81 komt de christelijke achtergrond van de auteur naar boven, lijkt mij, en ik weet niet of dat past. “Lena hield haar hoofd scheef en bekeek het schilderij lang. Is het magisch? Vroeg ze tenslotte. Dat is ik niet. Ik wist alleen dat tante-oma nooit bang is, omdat ze Jezus boven haar bed heeft. Ze zegt dat alle mensen lammetjes zijn, waar Jezus op past.
p.83: Lena tenvoeten uit: Voor de winter moeten de schapen van Olles vader terug naar binnen worden gebracht: “Dan is de vakantie verdomme voorbij, ook voor de schapen.”, zegt Lena altijd.
p.84: rustig lopen ging niet wanneer je zo blij was. Je voeten sprongen uit zichzelf.
p. 88, na Lena’s val van de Pieken. Olle ging naar haar op zoek en was bang om haar te verliezen, en piekert over hem en haar. Ze is helemaal enthousiast over de helikoptervlucht die ze daardoor maakte, terwijl “Eigenlijk geloof ik niet dat Lena begreep hoe bang ik was geweest om haar te verliezen als ze omlaag getuimeld was. (…) Lena was zeker niet zo bezorgt om mij geweest als IK daar op die richel had gezeten.
Op p.92 zijn de kinderen in de klas aan het eten, iets wat ook niet zo bekend is bij ons.
p.93: Kai Tommy heeft Lena zwaar beledigd, en zij heeft hem een dreun verkocht. Juf is heel boos op haar wanneer zij de klas uitloopt. “Waar gaat dat heen?” Vraagt ze. “Ik moet bij de rector komen”, is Lena’s antwoord.
p.98 Olle verteld tante oma dat hij bang is om Lena te verliezen. Dat is de laatste keer dat hij haar zal zien. Iedereen vindt dat triest, maar op p.101 dreunt de deur als vanouds wanneer Lena boos komt binnenwaaien. Dat is een verademing voor de jonge lezer.
p. 103 tot 107: alle ouders begrijpen dat Olle het heel moeilijk heeft met het feit dat zijn buurmeisje vertrekt. Het erge is dat hij niet wist dat ze zou vertrekken. Hij kruipt in bed, en is vast van plan om er niet meer uit te komen. Maar dat doet hij gelukkig wel.
p.110: mensen missen is het mooiste verdrietige gevoel dat er bestaat, volgens opa. p.119: opa verteld hoe Lena en Olle terug in Knal-Matilde kwamen gevlogen met hun slee en met kip nr. zeven tegen zich aan: “Ze kregen zo’n sodekannonnenrotvaart…
p.123: HeuvelopJon zegt dat hij – Godzijdank- slechts de halve wereld ziet.
P136: Lena klaagde. (Kloeg?)
De wonderlijke lotgevallen van Olle en Lena / Maria Parr ; uit het Noors vertaald door Bernadette Custers ; Heleen Brulot. (ill.)- Tielt : Lannoo, 2007.- 152p.: ill.- ISBN 978 90 8568 0031

maandag, april 20, 2009

De eend, de dood en de tulp / Wolf Erlbrüch


Op een dag, merkt de eend dat de dood naast haar staat. Ze vindt dat wat eng. “Ik ben er al, zolang je leeft, voor het geval dat”, zegt de dood. Een nare kou, een ongeluk, je weet maar nooit. Dat is wat de eend van de dood te horen krijgt.

Wat volgt, is een filosofisch, maar nooit donker gesprek tussen de Dood en de Eend. Ze dagen elkaar ook uit: zullen we naar de vijver gaan? Daar was de dood al bang voor geweest. Of in een boom klimmen? Waarna ze in een boom zitten. De Eend kijkt naar beneden en zegt: Zo zal de vijver er dus uitzien, zonder mij. Waarop de dood repliceert dat de vijver, wanneer de eend er niet meer is, er ook niet meer zal zijn, voor haar althans.

Dit boek is misschien eng, en moeilijk te plaatsen. Anderzijds is het natuurlijk wel een heel erg “af” boek. Wanneer de eend de dood (heel sympathiek: bruin jasje, pantoffels, en helderkijkende putjes… Een kereltje zonder vel, een niet eng geraamte) nog maar pas is tegengekomen, zijn de prenten en de tekst vol. Langzaam vervaagt alles, en beperkt de auteur zich tot één boom, waarin de dood en de eend naar de vijver kijken. Nog een beetje verder zakt de tekst zelfs naar beneden, wat voor een hele lege bladspiegel zorgt. Wanneer de Eend doodgaat, staat dit ook niet zo in de tekst: “Ik heb het koud, wil jij mij nu een beetje warmen?”. ’s Morgens leeft de eend niet meer. De dood wist dat dit er zat aan te komen. De bijhorende prent is wel weer erg vol, en zelfs een ietwat kleurrijk: een grote blauwe rivier. Waarop de Dood de Eend voorzichtig in het water legt, en haar een duwtje geeft. Hij moet er zelf ook wat van slikken: “zo is het leven nu eenmaal”, is de conclusie. En het boek is afgelopen. Of niet helemaal. Wanneer de prent wordt omgeslagen, zie je de dood bij een vos en een haas. Of zijn het een vos en een haas die de eend zullen komen opeten?

Ik vind dit boek heel erg af. Het is misschien een beetje beangstigend, om op zo’n manier over de dood te moeten lezen, maar het leven is in wezen ook zo. Vond het ook fijn om dit gegeven vanuit een klassieke “dood” afbeelding te zien, die in dit boek tot een personage, een alwetend iemand, verwordt, en een dier. Misschien vergroot dit de afstand, en tegelijk de geloofwaardigheid van het boek. Wanneer je dit zou doen met een kind, zou je iets ergs krijgen, denkelijk, en dat is nu niet het geval, voor mij althans. Vermoedelijk zou ik het dan niet geloofwaardig meer vinden. Wanneer je mensen gaat portretteren om de dood als thema in een boek te stoppen, kun je dit op andere manieren doen (“Voor altijd, altijd” (Ik denk dat je een mooi idee wordt), "Kleine Sofie en Lange Wapper" - Els Pelgrom en Thé Tjong-Khing, om twee voorbeelden aan te halen.
De Eend, de Dood en de Tulp / Wolf Erlbrüch.- Amsterdam : Querido, 2007.- ISBN 978 90 451 0553 6

Een Poll...

...Over vrouwen in sprookjes, maar de poll geeft niet de mogelijkheid om "anders" te verklaren. Welke andere titel dan de mogelijkheden in de poll zouden mijn bloglezers (en de stemmers: dank!) dan willen zien? Een verklaring over het waarom van je keuze is ook altijd welkom!

zondag, april 19, 2009

Mijn pen heeft zin / Riet Wille


Kaat is zes, en schrijft brieven en soms versjes. Aan haar juf, aan Koen (hij zit bij haar op school en is helemaal “waaw!”), of aan haar mama, die ze mist als ze met school op reis is. Of aan God. En aan weg-papa.

Een snoepje. Kaat schrijft brieven, hoe ze zich voelt, wat ze wil krijgen van de Sint (Zel in haar haar, maar dat mag niet van mama ; haar boek dat ze kwijt is van de bieb, …) Ze is verliefd op Koen, maar ze weet niet of hij ook op haar is. Dat vraagt ze hem ook, en het antwoord moet ja of ja zijn. Ze vraagt God hoe het komt dat het in zijn huis zo koud is, en waarom ze er stil moet zijn, want dat kan ze niet. En ze wil een man voor mama, die ook lief is voor haar. Later, ergens in één van de laatste brieven, blijkt mama een vriendin in plaats van een vriend te hebben. Dat vindt Kaat een beetje vreemd, maar daar wordt verder niet op ingegaan, en dat is goed zo. Stof tot discussies te over. De prenten verduidelijken wat er in Kaats brieven staat, en vertalen soms letterlijk wat er in de brieven staat. Soms moet je heel goed kijken, of staat er een rijmpje bij. Er wordt met woordjes gespeeld en gerijmd dat het een lust is om te lezen en te zien. Soms wordt er ook met cijfers gespeeld! W8, l1 (Leen, de vriendin van Kaats mama) Je merkt in Kaats brieven ook dat ze haar vader mist, of ook niet, ze vraagt zich af waar hij is, en of het waar is dat hij al weg was voor zij geboren werd. Geen simpel verhaaltje, maar wel de moeite om te leren kennen, en het onder begeleiding te lezen.

Mijn pen heeft zin / Riet Wille ; Anne Westerduin.- Wielsbeke: De Eenhoorn, 2004.- 29p.: ill.- ISBN 90-5838-269-9

woensdag, april 15, 2009

Een vliegtuig voor "Schijnbewegingen"

Paasweekend! Zon! Dus ik trek naar buiten en ik lees "Gruwelhotel" uit, in anderhalve keer. Een keer op de trein en het volgende deel op mijn terras in de zon. Een stuk erover volgt.
Wat ik me wel bedacht: het boek bleef me niet ZO bij dat ik een dag moet wachten alvorens met het volgende boek te beginnen.

Na zoveel moois over dit boek te hebben gelezen, vond ik niet dat ik kon achterblijven, en begin ik 's avonds in "Schijnbewegingen" van Floortje Zwigtman. Ik vind het heerlijk. In "Schijnbewegingen" zit om me te helpen de juiste bladzijde terug te vinden, een vliegertje. Geknutseld door I.M en haar kinderen. Het vliegertje bevat drie gekleurde lintjes, terwijl het vliegertje zelf in mijn boek vertoeft. Maar volgens mij is dat vliegertje daar niet graag, het is al twee keer wezen wegvliegen.
En nu ik "Schijnbewegingen" aan het lezen ben, zal ik daarna met graagte "Tegenspel" gaan lezen. En wanneer dat boek uit ihis... Zal deel drie van de trilogie wel verschenen zijn, waarschijnlijk! Hoera!

zondag, april 05, 2009

teasertje met glittertjes!

En wel eentje voor het eerste boek van David - Lou - Walliams, de acteur en bedenker uit Little Britain.
En ik ben fan. Bijna onvoorwaardelijk.
Maar zou dit ook willen zeggen dat "De jongen in de jurk" een goed boek zou zijn? In dit geval: jazeker. Het boek gaat over Dennis. Dennis woont samen met zijn vader en twee jaar oudere broer John in een saai huis in een saaie straat, en sinds zijn mama weg gelopen is, heeft hij ook een saai leven. Maar Dennis heeft een grote passie: zich verkleden als meisje...
Verwacht echter niks problematisch, want dat is het absoluut niet. Het is een vrolijk boek geworden, waarin de volwassen lezer wellicht elementen terugvindt uit Walliams' Little Britain.
Lezen! Nu!