Posts tonen met het label natuur & milieu. Alle posts tonen
Posts tonen met het label natuur & milieu. Alle posts tonen

zondag 16 juni 2024

Yanna wil winnen van de wereld!

Laat ik even met de deur in huis vallen: ik vond "Dwarsloper" van Mijke Pelgrim een beetje beter dan "Winnen van de wereld".  Omdat het wat mij betreft iets meer ingaat op de gevoelens van de personages. "Winnen van de wereld" focust wat mij betreft iets meer op de acties die jongeren ondernemen. Ook in dit boek: in eerste instantie een meisje, Yanna, een bij de start van het boek evengoed wat ongeïnteresseerde puber. Dat keert gelukkig snel, en we leren haar kennen als geëngageerd voor het klimaat. Yanna wordt uitgenodigd om deel uit te maken van The Rebels: een groep jongeren die bezig is met klimaatacties. En dan kreeg ik het tijdens het lezen wél weer lekker warm: hoezo jongeren hebben geen interesses? Hoezo jongeren hangen maar wat rond? Die engagementen, daar hou ik van. Het nawoord in dit boek en vooral de titels: "Doe wat voor jezelf goed voelt" toont ook een echt iemand (Jesse van Schaik) die zich inzet door actievoeren (terwijl anderen paardrijden of nog andere dingen doen: zo simpel kan het zijn). 

Maar ook: ook in dit boek zit liefde, maar meer nog ligt de focus op wat je als lezer zelf kunt doen (en dat is verbazend simpel: denk na over welke kleding je koopt, is de make up die je ophebt dierproefvrij? Laat je stukje vlees af en toe (en ja, ook ik vind kebab en pizza griezelig lekker!)

Ik had de personages in "Winnen van de wereld" misschien liever iets minder zwart/wit gezien: waar Evi eerder Yanna's beste vriendin is, is ze dat op een bepaald moment en nadat Yanna een andere weg inslaat, niet meer, maar later komt alles weer goed, enzoverder enzovoorts, en ik vind dat allemaal wat snel gaan. Wat dus niet betekent dat ik niet erg kon genieten van "Winnen van de wereld", en ik dit boek aan veel jongeren en hun omgeving wil aanraden.

Een boek dat helemaal  bij de tijd is, en lezers laat beseffen dat jongeren met het klimaat inzitten. Aangename leeservaring, en als ik moet zwijgen, steek ik in de toekomst mijn hand op, als was ik een girafje.

Winnen van de wereld/ Mark Boode.- Rotterdam : Lemniscaat, 2023.- 223p.: ill.- isbn: 978 90 4771 517 7

P.S.: valt het op? Dat ik graag "met de deur in huis val?"


woensdag 13 april 2022

Wij gaan naar BRUSSEL!

Met de deur in huis

Laat ik maar met de deur in huis vallen. "Dwarsloper" van Mijke Pelgrim is cool, leuk, realistisch en mooi.

de Nederlandse Tessel, 16 jaar, heeft het helemaal gehad met school. Ze voelt er zich opgesloten, en heeft niet het gevoel dat ze er iets nuttigs doet. Samen met haar leren we ook Suus, Boaz en Jonas kennen. Dat is het clubje waarmee Tessel op school rondhangt.

Een docente met invloed op het doen en laten van haar studenten en een spiegel

Tot "mevrouwtje Maatschappijleer", zoals Tessel hun docente voor dat vak noemt, beelden toont van een klimaatmars. Langzaam zien we de onverschilligheid van Tessel afbrokkelen. Want laat het ook thuis niet zo goed gaan, met oudere zus Laurine, die Medicijnen studeert in Maastricht, en waar iedereen naar opkijkt omdat ze het zo goed doet. Tessel spiegelt zich aan haar zus en vindt zichzelf helemaal niet zo geslaagd. 

Met een valse aanmelding, en een dito naam, geeft ze zich op om vanuit Utrecht mee te gaan met een groep van 1000 jongeren, op een klimaatmars naar Brussel in België. Hoewel het klimaat, CO2, biodiversiteit haar weinig tot niets boeien.

Het mag duidelijk zijn dat Tessel de hoofdpersoon is. Op een brug leert ze de blauwharige Lexie kennen. Zij vraagt Tessel, die zich gedurende de tocht Tessa Adam laat noemen, of ze wat tegen haar aan kan kletsen en of ze haar hand wil vasthouden, want bruggen liggen erg moeilijk voor Lexie. Lexie is dan weer de zus van de woordvoerder van de klimaatmars, en populaire Simon Wisse.

Kriebels

"Dwarsloper" laat het kriebelen bij mij. Ik voelde me tijdens het lezen helemaal thuis tussen al deze jongeren, die meer willen doen voor het klimaat dan op hun kont te blijven zitten niksen. De tussenstops die zij maken zorgden ervoor dat ik op slag weer mijn 16jarige zelf was, op vakantie. Ik heb niets met kamperen, maar misschien zou ik dat toen ik die leeftijd had, helemaal niet erg hebben gevonden.

Het verhaal speelt zich af tijdens een hoofdstuk in de klas in Baarn, dat "Sjokken, zitten, stikken" heet, en tijdens de mars die begint in het station van Utrecht in Nederland, tot in Brussel in België. Tussendoor zijn de hoofdstukken genummerd en volgen we de route die de groep volgt.

Het boek begint voor mij als "Oh nee, weer zo'n balende puber die het allemaal moe is!" Ik vond dat oprecht jammer voor Tessel. Maar ook zij heeft niks met wiskunde, en ook dat is dan weer herkenbaar.

Dwarsloper die je laat nadenken

"Dwarsloper" laat je nadenken. Het is misschien iets minder "brandend" actueel, maar het klimaat zou moeten blijven beroeren. De jongeren in dit boek hebben allemaal wel een of meerdere redenen om aan deze tocht (ik noem het bewust geen "klimaatmars", hoewel de personages in dit boek dat wel doen, en het dat ook wel is, natuurlijk, maar oordeel vooral zelf hoe je na het lezen deze tocht wilt noemen) deel te nemen. Alleen Anne Sterre is érg zeker van haar zaak: Ze eet geen vlees, is tegen versterkte muziek omdat dat teveel uitstoot geeft, en maakt zich daardoor nogal onpopulair bij deelnemers. Ook wat zij zegt en doet rond het klimaat gaat terug naar mijn eigen jong zijn, en ik vrijwilligerswerk deed voor een natuurorganisatie, die vandaag nog steeds bestaat, en voor hun kampen in hun brieven aan deelnemers schreef dat je je lunch in een brooddoos moest meebrengen, en niet in zilverfolie, want dat je dan weleens zou kunnen kennismaken met érg koud zeewater... Ach, brooddozen zijn zo ongelofelijk cool! En wat moet je met zilverfolie rond je brood ook? Dat geeft alleen maar vervuiling. (dat zeg ik. Dat komt niet uit de mond van Anne Sterre).

Bijzonder fijne leeservaring! 

Ziedaar: de kracht van een goed, fijn boek. "Dwarsloper heeft humor, liefde en levensechte personages die je alle goeds toewenst.

Op zich zou je evengoed kunnen zeggen dat in "Dwarsloper" niet zo heel erg veel gebeurt. Er wordt gewandeld, en weleens gevloekt op weer eens een lange asfaltweg met grote winkels en verder niks. Er wordt uitgekeken naar de pauzeplekken, en ook naar het einde van de tocht, want dat betekent dat je het hebt gehaald.

Kan dat? Je thuisvoelen in een boek?

Toch is dit boek er eentje waarin ik me helemaal heb thuisgevoeld. Omwille van de uitwerking ervan, en omdat alle losse eindjes (Wie is Lexie? Waarom loopt zij eigenlijk mee, ook al ziet haar broer dat liever niet) netjes aan elkaar worden geknoopt, en je je kunt inleven in Lexies figuurlijke rugzak). Waarom wil Tessel weg van huis? Hoe zij in dit verhaal met haar telefoon omgaat (meestal op "uit" of "stil", en met Bruno (Mars) in haar oren.) Ik wil Bruno ontdekken, geloof ik.

Iets willen betekenen

Dit boek is een aanrader voor Voor (jonge) mensen die nog niet vergeten zijn hoe het was om je ergens tegen af te zetten, om ergens verontwaardigt over te zijn en daar iets aan willen doen. Tijdens het lezen van "Dwarsloper" heb ik me in tegenstelling tot het publiek langs de route, niet geërgerd over "Jongeren die beter op de schoolbanken zouden zitten". Dat laatste is misschien wel waar, maar iets willen doen voor wat je aan het hart gaat, is dat ook.

En oh ja: wat mij betreft mag die tocht van Lexie (verder naar Barcelona met de trein, en vandaar dan terug naar Nederland) er ook wel komen.

Dwarsloper / Mijke Pelgrim.- Amsterdam : Van Goor/Best of YA, 2021. 252p.- ISBN 978 90 00 37367 3 




zaterdag 17 juli 2021

Deze boot is een meermin

1911. Als Janna's (13 jaar) moeder overlijdt, na een tijdje opgenomen te zijn geweest, na de dood van haar man, moet Janna weg uit Rotterdam. haar oom Wolfert en "de tante" uit Bru (Bruinisse) in Zeeland vangen haar op. Janna mist haar moeder verschrikkelijk en "de tante" lijkt haar niet te moeten, en het lijkt wel of ze Janna niet in haar buurt wil. Oom Wolfert is het tegenovergestelde. Hij is, net als vele andere mensen in Bruinisse, mosselvisser. Als Janna al na een korte tijd alleen dreigt te moeten achterblijven bij de tante, verstopt ze zich op "De Meermin", het schip van oom Wolfert, en vaart ze mee naar Antwerpen... 

 "Meerminnen verdrinken niet" speelt zich af in Bruinisse (Nederland) en Antwerpen. Maaskant laat de liefde voor deze stad, hoe kort Janna's verblijf er ook is, van de bladzijden springen. Dat doet ze overigens ook voor het dorp Bruinisse, waar ze zelf tot haar 27ste heeft gewoond. Ze past de taal van haar boek naar deze plaatsen aan, wat het boek nét nog dat ietsje meer sfeer geeft, en sfeer heeft dit boek zat.

Saskia Maaskant lijkt ondertussen van alle markten thuis te zijn, en na "Dromer", een dystopisch verhaal, weet ze ook haar weg te vinden in een historisch verhaal, gebaseerd op een vergeten watersnoodramp, die De Stormramp werd genoemd. Die trof in oktober 1911 het mosselvissersdorp Bruinisse. De Ramp (1953) heeft deze gebeurtenis overschaduwd, hoewel de Brusenaars het ook erg zwaar hebben gehad. Maar Bruinisse bleek een krachtig, sterk dorp, dat zich niet zomaar niet gewonnen gaf. Dat doen de personages ook niet, overigens. Dit boek liet mij nog maar eens ervaren hoe fijn het is om een goed boek te lezen.

Saskia Maaskant heeft haar personages met heel veel liefde en precisie vormgegeven. Ook hoe het leven was in 1911 komt goed naar voor (denk ik dan). Dat Janna en haar tante (die in eerste instantie geen naam heeft, en wordt geduid met "de tante", dichter naar elkaar toegroeien, en je heel summier te weten komt waarom tante is zoals ze is doet pijn, maar is nooit tranentrekkerig. Maaskant weet ook hoe ze betrokken over wat de mensen uit Bruinisse overkomt, moet vertellen, zonder dat het sensationeel wordt. Dat komt omdat "Meerminnen verdrinken niet" met mooie zinnen, maar niet alleen dat, verteld is. De taal in dit boek is minstens zo belangrijk als het verhaal zelf, en dat geeft dit boek zijn kracht mee. Als er dialect wordt gesproken, zie je soms een sterretje achter een zin. Achterin het boek staat een verklarende woordenlijst. Als je geen zin hebt om iets anders te doen als je het boek uithebt, kun je dat lijstje nog raadplegen. Daarna is het boek (na eerst nog een dankwoord) helaas uit, en land je terug in de 21ste eeuw.

Volwassenen die ooit "Geen meiden aan boord" van Johan Ballegeer (over Marianne, die als jongen aanmonstert op een ijslandvaarder in 1889, 1986, Altiora, Averbode) met plezier gelezen hebben, en die nog weten dat Puzzieschieters een spotnaam is voor inwoners van De Panne (West-Vlaanderen, België), en meeleefden met Marianne en Maarten Legein zullen van dit boek ook kunnen genieten. Of  mensen die ook het andere werk van Saskia Maaskant apprecieerden. Voor mensen die houden van historische verhalen dichtbij huis, in een nog niet ZO erg ver verleden.

Meerminnen verdrinken niet / Saskia Maaskant.- Leuven : Davidsfonds Infodok, 2020.- 213p.- ISBN 978 90 02 27060 4

Meer weten? De sfeer van Bruinisse opsnuiven? 


vrijdag 20 mei 2016

Drie jongens overleven in een bos

Robin, John en Harold, drie kinderen wiens ouders al maanden in India verblijven om er te werken, worden opgevangen door hun veel te strenge tante Ellen. Het schooljaar op Banchester, het internaat waar ze tijdens het jaar verblijven, nadert. Er is nog 48 uur van de vakantie over. Robin, John en Harold zijn het allemaal moe. Ze willen niet meer dat tante Ellen, die niet zo goed met kinderen kan opschieten, de baas over hen is, en dat slapen met honderd andere jongens op de slaapzalen van Banchester: Ze bedanken feestelijk. Wat als ze nu eens weglopen, en als vrijbuiters in het bos overleven?

Harold, de jongste broer, strooit echter roet in het eten: hij krijgt mazelen en moet in bed blijven. Maar John en Robin, die zich voor de gelegenheid Robin Hood en Big John laten noemen, nemen alvast hun intrek in Brandon Chase, 12 kilometer van Downer House, waar ze wonen, verwijderd. Ze hebben een voorraadje havermout bij zich om de eerste dagen te overleven, en ze zijn niet van plan om nog terug te keren.
Een oude eik wordt hun thuis. Als hun voorraad opraakt, keren ze op een nacht nog één keer terug naar huis, en daar halen ze Harold op. (Little John). Ze nemen ook het geweer dat hun tuinman niet al te veilig heeft opgeborgen, alsook een doosje met nog honderd kogeltjes erin. Zo kunnen ze leven van de jacht en de visvangst.

Van dit boek is in de jaren ’80 van de vorige eeuw een televisieserie gemaakt. De afleveringen staan op Youtube. Het boek is al in 1944 geschreven, maar werd tot in 2015 nog niet in het Nederlands vertaald. Op cadeautjes is het soms heel lang wachten, zo blijkt!
Dit boek biedt de lezer een lekker ouderwets avonturenverhaal, en het is, door hoe BB (Pseudoniem van Denys Watkins-Pitchford, die ook voor de erg donkere, en helaas vaak onduidelijke illustraties zorgde) ook een ode aan de natuur. Het bos waar de jongens in wonen behoort weliswaar toe aan de hertog die er zijn domein van heeft gemaakt. Het is echter zo uitgestrekt dat de jongens, op wie al snel door de weinig snuggere Brigadier Bunting, en door de pastoor, in die tijd nog iemand met veel aanzien, de Withing, jacht wordt gemaakt, verborgen kunnen blijven.

Dit zorgt voor kleine, grappige toestanden, in de zomer wanneer Brigadier Bunting zijn kleren is verloren. Wanneer tante Ellen met heel wat andere mensen uit hogere kringen in the Chase de verjaardag komt vieren van Angela, lijkt het verhaal te kantelen. Grote gevoelens waar twaalfjarigen mee worstelen: het is ook Big John, die verliefd is op Angela, niet vreemd. Hij is er het hart van in dat hij samen met zijn broers haar verjaardagstaart verwisselde voor een ongevaarlijke ringslang in de picknickmand…
Tot slot hebben we ook nog Smoko Joe, een zonderlinge oude man, die als we naar de illustraties kijken, wat wegheeft van een kabouter, die in een hutje in the Chase woont. Als de jongens een hond vinden die in het woud in een konijnenhol vastzit, is er van Smoko Joe al sprake geweest: hij zou gevaarlijk zijn. Zo gaat dat met zonderlinge figuren die een grote neus hebben, zo groot dat het bijna ziekelijk is, en waar Smoko Joe niets aan wil laten doen, en hij wil al helemaal niet naar het ziekenhuis. Bovendien draagt hij altijd een hoge hoed, en heeft hij een lange baard, je zou er van minder een tovenaar van gaan maken. (Al is dit dus niet helemaal zoals hij op de illustraties die van hem in het boek staan, wordt afgebeeld). De jongens besluiten de hond Bullit te noemen, en bij hen te houden. Maar de lezer heeft dan al door dat het de hond van Smoko Joe moet zijn. Zo komen de jongens met Smoko in contact, en er ontstaat een warme vriendschap tussen de vier woudbewoners. BB maakt hier een kleurrijk geheel van, waardoor stoppen met lezen moeilijk is.

Toch weten de jongens ook dat hun avontuur in het woud niet eeuwig kan duren. Hun ouders komen in januari terug. Dan willen ze terug naar huis. BB maakt er geen heldhaftig gegeven van in de trant van “We gaan nooit meer terug!” en dat maakt het boek erg geloofwaardig. Tussendoor worden de jongens telkens bijna opgemerkt, maar weten ze steeds te ontsnappen. Doorheen het boek hoop je dat ze niet zullen worden opgemerkt, dat hun avontuur nog kan blijven doorgaan. Dat ze zelf weten dat dit niet kan, heeft te maken met hun ouders – van wie ze een stevige uitbrander verwachten, maar meer nog met de bewoner die wanneer de jongens kerst vieren met Smoko Joe (en waardoor ze toch een beetje een echt dak boven hun hoofd hebben) zijn intrek neemt in hun eik… Maar wie deze bewoner is laat ik aan de lezer om te ontdekken…
BB schreef een erg geloofwaardig verhaal, dat volgens de uitleg die achterin het boek staat, speelt in de jaren ’20 van de vorige eeuw. Dat het verhaal al in 1944 geschreven werd, en pas nu vertaald werd, het is een beetje een raadsel.

Het is wars van alle modetrends die nu in boeken spelen, en daardoor oerdegelijk. Dat jongens weten hoe ze moeten jagen, en willen overleven, en dat ze daarom dieren zullen moeten doden: het is geen moment onaannemelijk. Ook wanneer de jongens pas weg zijn, en tante Ellen hierdoor in zak en as zit door het briefje dat de jongens achterlieten, is dit geen moment reden voor hysterische toestanden, al zit Tante Ellen als verantwoordelijke voor de opvoeding van de jongens wel flink in nesten.

Brendon Chase / BB ; Denys Watkins-Pitchford (ill) ; Luc van Heerwaarden (vert.).- Amsterdam : Ploegsma, 2015.- 365 p.: ill.- ISBN 978 90 216 7422 3 - 13+

zondag 3 februari 2013

Wat ontdekte Fleur?

Fleur gaat samen met haar ouders en haar jongere zusje Camille, verhuizen van een huis in de stad naar een huis op het platteland.  En zoals dat gaat wanneer kinderen verhuizen, heeft ze van bij het begin van alles aan te merken op wat haar ouders deden, en op het huis waar ze nu gaan wonen.  In de stad was Eva, haar beste vriendin, ze kende het huis waar ze woonde op haar duimpje, en in het nieuwe huis moet ze heel erg wennen, en de enige buurjongen die daar woont, ziet haar niet staan.  De buurjongen, Sam, woont op een boerderij, en hij lijkt meer oog te hebben voor zijn schapen dan voor Fleur.  Het lijkt zelfs of hij haar mijdt.

Op een dag vindt Fleur in een spleet onder haar kamerraam, een brief, van Nena.  En wat meer is: die brief is aan Sam gericht!  Dat weet ze nadat ze de brief heeft opengemaakt.  Wat doet die brief op de kamer van Fleur, en wie is Nena?

“De ontdekking van Fleur” zit alvast qua setting: kinderen verhuizen niet graag, en dat komt redelijk uit de verf, zonder ongeloofwaardig te zijn, of zonder dat Fleur er alles aan doet om de verhuizing tegen te gaan. 
Het lijkt er op dat De Pelseneer een verhaal wilde vertellen waarin allerlei actuele zaken vechten om een plekje.  De stad die te druk is, en daarom verhuizen naar het platteland.  Dat platteland blijkt toch niet zo goed te bereiken om elke dag per belbus, trein en fiets toch elke dag te gaan werken op je oude werkplek in de stad.  Bovendien is het mama die hier carrière maakt, terwijl papa thuis schrijft, en het huishouden doet.  Erg politiek correct.  Papa en mama zijn fervente vegetariërs, omdat ze vinden dat met z’n allen minder vleeseten beter is voor het milieu.  Fleur kan af en toe wel vragen waarom ze thuis geen vlees eten, terwijl de buren op hun boerderij wél dieren houden, voor het vlees, en niet voor de melk.

De auteur legt Fleur ook veel te veel woorden in de mond, waardoor de verbeelding van de lezer gefnuikt wordt.  Als ze bijvoorbeeld het schriftje van Nena vindt, spreekt ze zichzelf streng toe: “rustig, Fleur, hebt tijd om alles rustig te bekijken”.  Dat terwijl De Pelseneer eerder al duidelijk maakte dat (Fleurs) “nieuwsgierigheid (is) zo groot (is), dat ze (haar) me onhandig maakt”.  “Mijn vingers struikelen over de pagina’s.”  Ik hoef niet nog eens te lezen dat Fleur zichzelf aanmaant tot rustig te zijn, dat zou de lezer zelf kunnen ontdekken.  Dat Fleurs vingers over de pagina’s struikelen is trouwens een mooi beeld, en het verwoordt al mooi dat ze nieuwsgierig is.  Maar ook bij dit punt van het verhaal, de vondst van Nena’s schriftje zit een vermanend vingertje: wees niet zo nieuwsgierig!

De Pelseneer weet de twijfel van kinderen goed te vatten: twijfels over wat mensen over hen denken, of waarom het er thuis aan toe gaat zoals het eraan toegaat, en waarom dat bij anderen helemaal anders is.  En toch blijft het boek iets te belerend: “Op de schommel ga ik zo hard tekeer dat ik bijna misselijk wordt.  Toch denk ik er niet aan om vaart te minderen.  Mama roept vanuit het deurgat: ‘Fleur!  Doe eens wat zachter!  Het is gevaarlijk zo!’  Ik doe koppig voort.  ik wíl gevaarlijk!  Ik wíl snel!  Wanneer mama voor de tweede keer roept, vertraag ik.”

Fleur blijft zich de hele tijd af waarom Sam haar niet mag.  Hier gaat De Pelseneer niet veel verder dan het feit te noemen dat Fleur eigenlijk wel beseft dat ze een fout heeft gemaakt, door een brief die voor Sam bedoeld was, te openen.

Dat Sam Nena wél een fijne meid vond en zij eigenlijk zijn vriendinnetje was, dat verhuisde, en Fleur en haar familie in de plaats kwamen, is wat aan het eind van het boek aan bod komt. Nena is van de ene dag op de andere dag vertrokken, zonder afscheid te kunnen nemen van Sam. Vandaar dat er bij het kamerraam van Fleur een brief voor hem verstopt zat, die Nena had willen afgeven, maar dat kon niet meer. 
Waarschijnlijk past dit boek wel uitstekend in de klasbibliotheek, maar een echte giller is het niet.  Zelfs de voorplat geeft al elementen uit het boek weg, terwijl die net nieuwsgierig zou moeten kunnen maken.
De ontdekking van Fleur / Reine De Pelseneer ; Hilde Schuurmans.- Sint-Niklaas : Abimo, 2012.- 109p.: ill.- ISBN 978 90 5932 885 3 - 8+

zondag 6 januari 2013

Een heel klein beetje Alice, Luitje en haar limonademoeder!

Luitje is een meisje dat nooit ergens vies van wordt, en dus ook nooit in bad moet.  Haar kamertje is altijd netjes aan kant, maar dat komt omdat ze alle rommel onder haar bed schuift.  Dat doet ze omdat er anders monsters onder haar bed zullen komen. 

Op een dag moet ze van haar moeder toch de rommel onder haar bed opruimen, en moet ze voor het eerst van haar leven in bad.  En dan gebeurt het: Luitje krimpt!  Zo erg, dat ze heel erg snel het badwater moet laten weglopen, want dat krimpt niet mee, en dus zou Luitje verdrinken.  Ze komt in haar blootje terecht op een richeltje in de afvoerbuizen.  Haar moeder schrikt zich een ongeluk, en ze denkt dat Luitje verdronken is.  Tot ze haar hoort: “Mam?  Ik zit hier op een richeltje in de afvoerbuis.”  Haar moeder bedenkt al snel dat Luitje allergisch is voor badwater. 

Nadat haar moeder van de eerste schok bekomen is, volgen we de zoektocht van Luitjes moeder, om haar uit de afvoer te krijgen, weer veilig thuis.  De politie kan niets doen, ook al zit Luitje in haar eentje in de afvoerbuis.  Maar dat kan helemaal niet, want Luitjes eendje ligt nog in het bad.  De politie zegt dat ze de loodgieter moet bellen.  Maar hij heeft het te druk, en ze moet een afspraak maken.  De dokter kan ook niets doen, want zieke mensen moeten in bed liggen, ook als blijkt dat Luitje in de afvoerbuis weleens een longontsteking zou kunnen opdoen, kan de dokter nog niets doen.  Als de patiënt in bed ligt, zal de dokter iets doen.  En ga zo maar door.  Dus bedenkt Luitjes  moeder zelf  iets waardoor ze zou kunnen krimpen om haar dochter te redden!
“Luitje en de limonademoeder” verscheen voor het eerst in 1987, en hopelijk kan het door heel veel kinderen van nu herontdekt worden.  Sylvia Weve leefde zich uit en voorzag deze druk van illustraties.  Haar illustraties in kleur passen perfect bij het verhaal.  Ze zijn net als het verhaal: gezond gek.

Van Lieshout slaagt erin om Luitje en haar moeder uiterst geloofwaardig neer te zetten.  Luitje is misschien wel een beetje als Alice, die door het drinken van een drankje ook kleiner wordt, en in een konijnenhol terechtkomt.  In “Luitje en de limonademoeder” komt Luitje terecht in een afvoerbuis, en ontmoet ze meneer Rat, die het maar niets vindt dat de afvoerbuizen zo vuil zijn.  De lezer krijgt hier zowaar een lesje over hoe hij met het milieu zou moeten omgaan, en om minder weg te gooien.  Dit gegeven wordt je echter nooit door de strot geramd, en het verhaal blijft er even goed gedoseerd, en een beetje gek bij.  Ook van Lieshout’s spel met taal (“in haar eentje in de afvoerbuis”) maken van “Luitje en de limonademoeder een feestje.  Eentje met limonade en badwater.
Luitje en de limonademoeder / Ted van Lieshout ; Sylvia Weve.- Haarlem : Gottmer, 2012.- 4e druk.- 71p.: ill.- ISBN 978 90 257 5136 4 - 8+

zondag 8 juli 2012

Spinder, of Erik en het Kleine Insectenboek met weerhaken

Simon van der Geest won in 2011 de Gouden Griffel voor zijn boek “Dissus”, gebaseerd op het Oddysseusverhaal.  Voor “Dissus” er was, was ook van der Geest een debutant.  Dat deed hij wat mij betreft voortreffelijk met “Geel gras”, over de 11 jarige Fieke, die door haar ouders wordt vergeten op een camping in Frankrijk.  Hier en daar klonk het toen nog dat van der Geest nog geen Annie MG Schmidt was.  Dat mocht al een beetje een onzinnige opmerking geweest zijn, ze gaat na “Dissus” en “Spinder” al helemaal niet meer op.  Wie na “Dissus” al overtuigd was dat van der Geest geen toeval meer is, kan dat nu nog een keer bevestigd zien met “Spinder”.  Drie boeken, drie keer van der Geest, maar drie keer totaal andere boeken.

“Spinder” is opgevat als een schrift, eentje met een harde lichtgroene kaft, compleet met naamsticker en een ietwat slordig jongenshandschrift.  Het schrift hoort toe aan Hidde, en met alcoholstift is met dikke zwarte letters “Spinder” over zijn naam heen gestift.  De kaft staat vol met insecten, en datzelfde slordige handschrift.
De dagboekstijl wordt doorheen het hele boek consequent volgehouden, al wordt van het “handschrift” wel afgestapt om Hidde te laten vertellen.  De illustraties bevatten wel nog “geschreven” opmerkingen.

Het boek begint met een briefje, voorin gekleefd, waarin staat dat je als lezer nog altijd terug kunt, het boek / schrift wegleggen.  Maar Hidde wil hulp, en dus hoopt hij dat je toch verder zult lezen.
Hidde, nu elf jaar, woont samen met zijn moeder en broer Jeppe, die veertien is, in een huis met een geheime kelder, waar alleen Jeppe, Hidde en Ward het bestaan van weten.  Op een keer gaat het echter grondig mis tussen de drie broers, en moet de kelder zeker geheim blijven.  Hidde en Jeppe sluiten een deal: Hidde mag de kelder hebben, en hij maakt er een insectenlaboratorium van.  Hij houdt zielsveel van insecten, en kan er uuuren over vertellen.  Van der Geest slaagt er samen met illustratrice Karst-Janneke Rogaar in om van insecten veel meer te maken dan “vieze kriebelbeesten”.

Intussen zijn er na die noodlottige dag, toen Ward nog leefde, drie jaar voorbijgegaan, en Jeppe wil de kelder inpikken om er een drumhok van te kunnen maken.  Waar Hidde dan naartoe moet met zijn insecten, die door Jeppe steevast “beessies” worden genoemd?  Dat is Jeppes probleem niet.  En dus is het oorlog.
Deze oorlog gaat veel verder dan wat “oorlogje spelen omdat dat is wat kinderen doen”.  Het is een psychologisch knap staaltje over wat (nare) gebeurtenissen die moeten zien verwerkt te worden, met kinderen kunnen doen.  Hidde is een stille jongen, die nog geregeld nachtmerries heeft van wat er met Ward gebeurde.  Maar tegen Jeppe kan hij niet op.  Aan zijn moeder heeft hij ook niets, want zij is zowat onzichtbaar: als Hidde ’s morgens opstaat, is mama meestal al gaan werken, en ’s avonds komt ze pas heel laat thuis.  Jeppe en Hidde moeten dan ook meestal alleen eten.  Papa is jaren geleden vertrokken, en Hidde kan zich weinig van hem herinneren.

In Hiddes klas zit Lieke, op wie Hidde een oogje heeft, maar hij durft het haar niet te vertellen.  In zijn dagboek schrijft hij allerlei plannen om Lieke te vragen.  Maar ze is veel te vaak in het gezelschap van Amber en Anouk, en met hen erbij durft Hidde al helemaal niets te zeggen over zijn gevoelens voor haar.  Bovendien is Hidde helaas het soort jongen dat op school een beetje een pispaal is, zeker nadat hij Lieke wilde verrassen met haar lievelingsdieren: vlinders.  Ze houdt van roze, dus heeft hij geprobeerd om roze vlinders te kweken, heeft hij een spin met een vlinder, een spinder, proberen te maken.  Maar dat resulteerde zelfs in Hiddes bijnaam “Spinder”.  Geregeld beginnen kinderen op de speelplaats nu zelfs “Spinderen voor spinderen” te zingen.  Dit naar analogie naar “Kinderen voor Kinderen”, wat voor Vlaamse lezers misschien helemaal geen belletje meer doet rinkelen, maar Kinderen voor Kinderen is in Nederland nog wel populair.  Lieke schrok trouwens alleen maar van de spinder, die zijn eigen vleugels ging aanvallen, omdat je die zou moeten naaien in plaats van ze met secondelijm vast te maken.  Wanneer Jeppe Lieke inpikt om zangeres te worden bij zijn band, is Hidde haar ook nog helemaal kwijt.   
Bor, de nieuwe overbuurjongen is volgens Hidde en Jeppe maar een rare vogel, die ook nog eens bij Hidde in de klas zit.  Bor is een wat slome jongen, met een “normale” familie: vader, moeder, en een zus, Rosa.  Wanneer Jeppe Hidde heeft opgesloten in de kelder, zonder eten, is het – na lang nadenken van de kant van Hidde, over hoe hij uit de kelder kan ontsnappen – Bor die hem helpt, maar zelf ook opgesloten geraakt.  Bor vindt dit onrechtvaardig van Jeppe, hij heeft tenslotte niets met de oorlog tussen de broers te maken – Hidde heeft hem intussen zo veel mogelijk verteld – maar Jeppe antwoordt hem dat hij zich er dan ook niet mee moet bemoeien.

“Spinder” is een beklemmend, triest boek, maar zonder tranentrekkerig te zijn.  Triest, maar ook hoopvol.  Hoopvol omdat Hidde een slimme knaap is, die het helaas erg moeilijk heeft met de mensen in zijn omgeving, of zij met hem: meestal vinden ze hem een watje.  Mama heeft ook maar ten dele door dat voortdurende afwezigheid helemaal niet ideaal is voor haar kinderen.  Maar ook zij moet verder met wat er met Ward gebeurde.     

Van der Geest heeft de lezer op sublieme wijze een rol gegeven in zijn derde boek.  Hidde schrijft zijn dagboek namelijk aan “jij met goede handen, die dit boek leest”.  Wanneer Jeppe zelfs gaat inbreken in Hiddes dagboek, wordt het voor de lezer nog duidelijker, dat hij of zij voor Hidde echt een hulp is, en dat dit middel Jeppe van zijn stuk brengt, al het maar voor een deel.  Want Jeppe blijft wat hij is: een etter.  Toch weet van der Geest van Hidde en Jeppe mensen te maken van vlees en bloed: Hidde is geen superman, die strijdt tegen zijn broer, en Jeppe is niet zomaar de slechterik van dienst.  Hidde is het moe, dat Het Geheim alles verpest tussen hem en Jeppe, dus gaat hij het verhaal “aan jou” vertellen.  Maar Hiddes dagboek is geen veilige haven meer, Jeppe gaat er dingen bijschrijven, en je voelt de zinderende spanning tussen hen, die ooit eens moet ontploffen.  Wanneer dat effectief gebeurt, leef je intens mee met de broers, en hoop je dat alles goed komt.
Met “Spinder” bewijst van der Geest dat “Geel gras” geen toeval was, en dat hij moeilijk in een vakje te stoppen is.   

Spinder / Simon van der Geest ; Karst-Janneke Rogaar.- Amsterdam : Querido, 2012.- 232p.: ill.- ISBN 978 90 451 12800 0 - 13+

maandag 6 februari 2012

Rood weeskind / Begga Dom

Thor is de ene helft van een tweeling.  Zijn broer Olmo stierf bij hun geboorte, en sindsdien is Thor een eenling, en dat is nog zwak uitgedrukt.  Olmo is de enige met wie hij praat, met wie hij gesprekken voert.   
Wanneer Thor zeventien is, komt er aan zijn “alleen in het leven staan” een eind: vrienden die dertien jaar geleden naar Amerika gingen verhuizen, komen nu terug naar de afgelegen plek waar Thor met zijn ouders woont, in een niet nader genoemd land, maar omdat er sprake is van elanden, zou “Rood weeskind” zich weleens in Zweden kunnen afspelen.  Ook de namen die Begga Dom voor haar personages koos, klinken Scandinavisch.  Yann, Mette en hun dochters Louise en Lilith staan na al die jaren weer voor de deur.  Op slag wordt Thor verliefd op Louise, maar zij ziet hem niet staan.  Het is Lilith, die veertien is, die doorheen het zelf opgebouwde pantser van Thor probeert te breken. 



Thor, die wel rust vindt in de natuur, waarvan er waar hij woont genoeg te vinden is, met rotspartijen en water, en vlinders, waarvan hij altijd weet hoe ze heten.  In zijn kamer verschanst zich een rood weeskind, die eigenlijk zou moeten rondvliegen, en wel ’s nachts.

Wat moet je met een boek waarin haast niets lijkt te gebeuren?  Dom hanteert een prachtige taal, en ze heeft met “Rood weeskind” zeker een parel afgeleverd als het op taalgevoeligheid aankomt.  Maar met alleen taalgevoeligheid alleen creëer je wat mij betreft geen personages die bij de lezer blijven hangen.  Wat Thor in zijn leven doet, komt wel mooi in beeld.  Hij houdt van de natuur, en van foto’s maken, en heeft een donkere kamer, waar hij zelf foto’s ontwikkeld.  Ook op de boerderij van zijn ouders, vindt hij rust, wanneer hij bezig kan zijn om de koeien te melken. 
Dom’s taal is poëtisch, maar vaak ook te veel uitgesponnen.  Ze gebruikt iets te veel en te ver gezochte vergelijkingen om haar personages neer te zetten: “Ik lag urenlang zonder te bewegen op mijn rug.  Als een slang die moest vervellen.  Alsof ik genoodzaakt werd om van vorm te veranderen.  Om via een pijnlijk proces onherkenbaar te worden.  Zoals een rups zich, om vlinder te worden, moet inkapselen en voorgoed moet afsluiten van alles wat hij kent.”  Of nog: “Ik keek op en knikte.  Ik keek haar recht in de ogen.  En ik dacht aan Lilith, zo sterk dat het leek of zij naast ons stond en ons kon horen en zien.  Voor de zon gleden toen takken en bladeren, die bewogen in de wind, zodat het licht enkele keren verschoof.  Alsof er bladzijden werden omgedraaid.”

Toch kan de lezer ook ontdekken dat Thor wel ondernemend is.  Hij mist zijn broer heel erg, en wil eigenlijk maar wat graag weten wat er met doodgeboren kinderen gebeurt.

“Rood weeskind” is  een poëtisch boek, maar ik had er graag iets meer levendigheid in gezien.  Thor is nogal lethargisch neergezet.  Zijn twijfels over zijn gevoelens voor Louise dan wel Lilith, gaan soms vervelen, en  het lijkt wel of het boek,  met 110 pagina’s, nog wel wat meer body kon gebruiken.  Om Thor en de zijnen wat meer levendigheid te kunnen meegeven, bijvoorbeeld, zodat ze onvergetelijk zouden overkomen op de lezer.

Rood weeskind / Begga Dom.- Hasselt : Clavis, 2011.- 110p.- ISBN 978 90 448 1610 5 - 15+

woensdag 21 juli 2010

Roodwaternacht : Het natuurboek voor kinderen / De Dagen

Wie “De dagen” zegt, weet dat dit bijna synoniem is voor “kwaliteit”. Dit is met “Roodwaternacht” niet anders. “De dagen” maakte voor het jaar van de biodiversiteit, dat 2010 is, in opdracht van de stad Antwerpen, “Roodwaternacht”. Ze schrokken er niet voor terug om GROTE namen te vragen, om enkel het beste van het beste te kunnen afleveren. En dus zo geschiedde.
Zelfs de omslag van het boek biedt al natuur. Het woord Rood bestaat uit een vogel en een slak, water herbergt een vleermuis, een vliegezwam en een roofvogel, en in Nacht verbergt zich een slang en de zonnedauw of een den.

De “Grote namen”, dat zijn onderandere Koen Broos die voor meesterlijke natuurfotografie zorgde bij het begin van het boek. Misschien waan jij je wel in een bos, of langs de waterkant. Bibi Dumon Tak leverde met een praatje over onderandere de zonnedauw zowaar een griezelverhaal af, over een natuurketting rond je nek, die je langzaam zal wurgen. Ook Sjoerd Kuypers “Robin” en de onmiskenbare Isabelle Vandenabbeele zijn van de partij.

Tel hierbij op dat het boek de heerlijke geur van inkt herbergt, en je hebt het bijna perfecte boek, maar dan alleen maar omdat perfectie niet bestaat.

“Roodwaternacht” doet niet aan toegevingen. “Roodwaternacht” doet niet aan toegevingen, omdat Stad Antwerpen nu eenmaal vroeg om rond het jaar van de biodiversiteit een boek te maken. “Roodwaternacht neemt je mee, door water, om te kijken naar vogels, om samen met Robin en zijn mama en papa te kijken naar de sterren, om daarna terug met je voeten op de grond te belanden.

Het boek biedt een inleiding. Een inleiding die je vertelt dat je mag binnenkomen waar je wil, om op te houden waar je wil. Je mag een duik nemen, en als het boek de beek is, met droge voeten, ben jij de ijsvogel.

Bibi Dumon Tak leverde in haar eigen stijl korte stukjes af, over de zonnedauw, die zo heet omdat dat plantje dauwdruppels over zich lijkt te hebben, maar je langzaam zal wurgen, wanneer je hem rond je nek zal leggen. Zowaar een griezelverhaal. Of over Roodkapje die jaloers is op de vliegezwam. Al deze stukken zijn meesterlijk geïllustreerd, alsof ze uit de schaduw lijken te komen, door Geert Vervaeke.

“Roodwaternacht” is opgedeeld in drie stukken, en heeft drie kleuren: Rood, turkoois en donkerblauw, dat de nacht moet symboliseren. Rood biedt Isabelle Vandenabbeele haar speeltuin: al haar tekeningen hier bevatten voornamelijk rood, met wasco. Tom Naegels vertelt een verhaal over een te zoeken vlinder, en hij doet dat met verve, in klare taal, zonder op de hurken voor het jonge volkje te gaan zitten. Wie meegaat: mooi. Wie niet meegaat: ook goed.

In het “Water” stuk is het vooral Nic Balthasar die me verraste, met een verhaal over het zoeken naar water, en de ramp die het is als dit er niet is. Sterk spul.

In “Nacht” komt Robin, de vierjarige kleuter van Sjoerd Kuyper zowaar even langs. Nog steeds helemaal als de Robin die al die tijd vier is gebleven, met heel veel respect voor het kind zijn, vormgegeven. Over het kijken naar de sterren, maar het hoogstnoodzakelijke aan het eind van het verhaal, niet vergetend. Jaap Robben zorgde voor een gedicht over een kat, met een scherp kantje eraan. Ted van Lieshout zorgde voor een radijs en tomaten sonnet, maar dat hoefde voor mij niet zo. Net als het raadsel van Wolf Erlbruch. De oplossing van dit raadsel blijft namelijk redelijk “zoek”. Net als het nawoord, dat ik ook niet kon terugvinden. De foto’s van Sarah Engelhard en de gedichten van Bart Moeyaert, bijna aan het eind van het boek: ze beuken. Want wat je ziet zijn dode dieren, bij gedichten over hen. Joke van Leeuwen doet niks nieuws, maar is daarom niet minder verrassend.

De inhoudstafel dan. Vaak vind ik dat deze niet echt hoeft, maar voor “Roodwaternacht” is ze erg welkom: hier is ze namelijk een beetje als een menukaart: wat zal ik nu een keer gaan lezen? Wat wil ik zien?

Voor welke doelgroep het boek bedoeld is? Hier moest ik om lachen. Mensen vragen dit vaak, maar sommige boeken moeten gewoon aangeboden worden. En wie het opvangt, en wie er iets uit oppikt: goed zo. De anderen: het valt te hopen dat ze er toch mee in aanraking kunnen komen, want mooie dingen verdienen het gewoon om ontdekt te worden. Hoe oud je ook bent. Maar als u het toch vraagt? Begin dan bij een jaar of zeven.

Roodwaternacht : het natuurboek voor kinderen / De Dagen en de provincie Antwerpen.- Antwerpen : 2010.- 133p: ill.- 978 90 8153 341 6

vrijdag 2 maart 2007

Het lied van de raaf / Per Nilsson

Ik ben intussen een aantal jaren verder. Voor de weblog "Boeken en Co" , die vroeger een kinderboekenleesclub herbergde, maar nu is overgegaan tot allerlei soorten boeken, heb ik onlangs dit boek nog eens uit de kast gehaald. Ik herinnerde me niet echt veel meer van dit boek. In zekere zin was het nieuw voor me, anderzijds had ik intussen ook alle andere boeken van Per Nilsson gelezen, en ze prompt allemaal prachtig gevonden. Dit boek is niet anders. Het is prachtig. Het taalgebruik zit goed, je leeft mee met de personages in dit boek.
David en zijn zusje Tove gaan regelmatig met hun vader mee, die marktkramer is. Ze verkopen dan worst. Samen met de andere mensen op de markt hebben ze een hoop lol, en steun aan elkaar. Wanneer David na zo'n marktweekje terug op school komt, hoort hij dat Linus, een klasgenoot, verongelukt is. Hij is van een silo gevallen. Zegt men. Maar David gaat op onderzoek, en ontdekt dat Linus van de silo gesprongen is. Nog later ontdekt hij dat Ritva, een meisje dat hij op de markt heeft leren kennen, in het ziekenhuis ligt. De vrolijke Ritva is opeens wel erg stil. Alle vrolijkheid lijkt bij haar verdwenen te zijn. Wat is er gebeurd met Linus, en met Ritva?
Dit boek is erg goed, maar mocht iets minder moralistisch overkomen. David, Linus EN Ritva zijn ooit wel ergens naar iemand gaan luisteren, die over het milieu wel erg hard doemdenkt. Hij vertelt onderandere: "De aarde kan zonder mensen, maar de mens kan niet zonder de aarde". Wanneer jongeren daaruit dan concluderen dat het beste is wat je kunt doen, zelfdoding begaan, is, is het hek van de dam. De auteur wil in dit boek erg bewust zijn, en misschien wil hij dat wel een ietsje te graag. JA, men moet voor zichzelf en voor anderen, je leeft tenslotte samen met anderen, eens nagaan of je zelf niets aan milieuvervuiling kunt verhelpen, maar om nu te gaan stellen dat het leven totaal geen zin meer heeft wanneer je dit niet doet, dat gaat me te ver. Gelukkig zien David en Ritva in dit boek, dit tijdig in.
Wat ook erg leuk is, is dat sommige dichters die in dit boek voorkomen, echt zijn. Nils Ferlin, bijvoorbeeld: "Jouw hart is van mij, mijn hart is van jou. Als jij huilt, is jouw verdriet het mijne". Ik had nog nooit van die man gehoord, en kan bij het googelen ook niet echt heel erg veel over hem vinden. Ook het gedicht "The Raven", wat wonderwel in dit boek past, is een gedicht van Edgar Allan Poe. Dat getuigt voor mij dat dit boek er niet zomaar een is.

Het lied van de raaf / Per Nilsson ; vertaald uit het Zweeds door Femke Blekkingh-Muller.- Rotterdam : Lemniscaat, 1996.- 368p.- ISBN 9789 0 5637 021 3 - 15+

maandag 19 februari 2007

Sneeuwt het nog lang, opa? / Jaak Dreesen

Opa neemt Lejo mee op tocht door de sneeuw. Tijdens een sneeuwstorm, die opsteekt, moeten ze schuilen. Ze vinden een vervallen hutje, en proberen daar wat te eten, wat ze meehebben uit hun rugzak. Dan komen de verhalen boven. Over oma, en over mama en papa. Soms zijn de verhalen echt, en soms zijn ze fantasie. Maar wel altijd mooi. Lejo is bang, en vooral: hij is een klein jongetje dat vertrouwen stelt in zijn opa, ook al zijn ze helemaal alleen in het bos, in een tochtige hut, midden in een ijzige winter. Dit verhaal is erg mooi, maar hier en daar zijn er toch elementjes die ik er graag had bij gezien: waar woont de familie van Lejo? Er is sprake van beren en wolven in het bos, en door de sneeuwstorm kunnen opa en Lejo niet direct gevonden worden. Hoe komt dat? Maar toch: het lezen waard!

Sneeuwt het nog lang, opa? / Jaak Dreesen ; illustraties van Annemie Heymans.- Davidsfonds Infodok, 2003.- 60 p.- ISBN: 90-5908-070-X

vrijdag 24 november 2006

Een rugzak vol / Gerda Van Erkel

Kristin's broer Lars, is dood. Hoe dat komt, kom je met stukjes en brokjes te weten. Om zijn dood te verwerken (of is het voor zichzelf?) gaat ze op huttentocht in de Oostenrijkse bergen. Ze stapt hele dagen, van hut naar hut. Ze leert mensen kennen, en stukje bij beetje leert ze hen beter kennen, en komt het verdriet waar ze zo lang mee worstelde, boven, in de vorm van tranen. Dit boek is prachtig. Het gaat over vriendschap en loslaten. Je leert de Oostenrijkse bergen kennen, en kunt als het ware meekijken over Kristin's schouder, hoe ze worstelt, maar ondanks alles doorzet. Het einde van het boek is me een ietsje te vlug afgewerkt. Floeps, en het is afgelopen. Je ziet adembenemende landschappen, ook zonder foto's. De personages zijn echt, met kleine en grote kantjes, maar je merkt dat ze vooral vrienden zijn voor elkaar. De bergen smeden banden, en dat merk je hier echt. Heerlijk!

Klein minpuntje: De cover toont een meisje waarvan je niet weet wie dit is. Kristin is dit in geen geval: dit meisje heeft lang haar, en Kristin niet. Ze is bovendien blond, als ik goed gelezen heb.


Een rugzak vol / Gerda Van Erkel.- Leuven : Davidsfons/Infodok, 2006.- 155p.- ISBN: 90 5908 206 0